The Art Server

Frank F. Castelyns' nobele recuperatiekunst


   Het bestaan van kunstenaar Frank F. Castelyns (°1942) wordt voor een belangrijk deel in beslag genomen door eindeloze zwerftochten, die hij te voet of per fiets onderneemt. Maar een globetrotter, eeuwig op zoek naar onbekende horizonten, is hij niet. Zijn tochten beperken zich meestal tot zijn habitat Antwerpen, en hebben een duidelijk omschreven doel. Elke dag weer komt hij thuis met allerlei dingen die hij op straat heeft aangetroffen en om een of andere reden interessant vond. Dat kan gaan van kleine stukjes zwerfvuil tot aan de deur gezette stukken huisraad en uit containers gehaalde fragmenten van onbepaalde aard. Zijn zwerftochten zijn eigenlijk strooptochten. Je zou hem een stedelijke strandjutter kunnen noemen.

De verzameling
Hij zoekt zijn spullen zorgvuldig uit, zich baserend op een strikt persoonlijke esthetica. De kleinere objecten komen in plastieken zakjes terecht die hij aan zijn fiets hangt. Voor de grotere keert hij terug zo gauw hij een geschikt transportmiddel gevonden heeft, hopend dat hij ze nog in dezelfde staat zal aantreffen en in bezit kunnen nemen. Klein of groot maakt niet uit voor hem. Stuk voor stuk beschouwt hij ze als sprekende getuigenissen van onze tijd en hedendaagse artefacten van archeologische betekenis, die niet moeten onderdoen voor middeleeuwse relikwieën. Hij behandelt ze dan ook met respect en tracht ze zo goed mogelijk te bewaren in de staat waarin hij ze aantrof. Niet zonder enige zin voor romantiek beschouwt hij zich als de redder en beschermer van wat achteloos werd weggegooid en gedoemd was om voor eeuwig te verdwijnen. Zijn leven als kunstenaar is een persoonlijke odyssee die hij nu al meer dan een halve eeuw volhoudt, een non-stop artistiek project dat hem dagelijks voldoening schenkt en zin geeft aan zijn bestaan.

De composities
Zijn dagelijkse aanwinsten zijn in principe bestemd om te worden geïntegreerd in een compositie. Soms maakt hij er tekeningen van, en sinds hij over een digitaal fototoestel beschikt wordt elk item gefotografeerd. Dit leidde algauw tot een archief van duizenden beelden, die hij bij gebrek aan computer bewaart op de geheugenkaart van de camera – raakt die vol, dan snijdt hij een andere aan.
De composities worden uitsluitend opgebouwd met zijn vergaarde objecten. Nooit zal hij iets gebruiken dat pas uit de winkel komt. Als drager of achtergrond fungeert meestal een kartonnen doos, die hij met de bodem tegen de wand bevestigt zodat de indruk wordt gewekt van een interieur of toneelruimte in miniatuur. Daarin ontstaat dan een scenische voorstelling met voorplan en achterplan. Zelf spreekt hij van ‘taferelen’. Ze suggereren een bepaalde stand van zaken, een handeling of psychologische spanning. Waar het precies om gaat wordt niet nader toegelicht en wordt dus overgelaten aan de fantasie van de toeschouwer. In andere gevallen is de doos louter een beschuttende vorm, in overeenstemming met haar oorspronkelijke functie.

     
Twee composities, Verbeke Foundation, 2007


Frank Castelyns, compositie, galerie Martin Van Blerk, 2009


Frank Castelyns, compositie, Verbeke Foundation, 2007
 

Bij een tweede soort composities gaat het om grote, zelfstandig in de ruimte staande assemblages. Als het compositorisch wenselijk blijkt een bepaald object wat in te korten of platter te maken, zadelt hem dat telkenmale op met een gewetensprobleem. Heeft hij wel het recht om zo'n ingreep uit te voeren en daarmee de primair-archeologische staat van het object geweld aan te doen? Mag hij het zomaar naar goeddunken ondergeschikt maken aan zijn ijdele artistieke ambities? Hij zal dan ook scrupuleus proberen het zoveel mogelijk intact te laten. Desnoods gaat hij in zijn dépôts op zoek naar een ander object dat beter aan de compositorische eisen beantwoordt. 



Frank Castelyns, compositie in Tour & Taxis, Brussel, 2001


Frank Castelyns, compositie in Academie voor Schone Kunsten Antwerpen, 2011


Frank Castelyns bij Het Vlot van de Médusa, Tour & Taxis, Brussel, 2001

De dépôts
Aangezien het vinden en vergaren nooit ophoudt, kampt Castelyns met een permanent ruimteprobleem. In een eerste stadium stockeerde hij zijn vondsten in de kelders van een grote woning aan de Jordaenskaai, die hij deelde met andere kunstenaars, waaronder Guillaume Bijl, Ria Pacquée en Guy Van Bossche. Toen de kelders vol raakten huurde hij garageboxen en havencontainers. In piekperiodes namen zijn collectiestukken en composities niet minder dan 4.000m² in beslag. Ook zijn zeer bescheiden en onbewoonbaar verklaarde eigendom aan de Korte Noordstraat, vlakbij de Antwerpse academie, raakte op de duur zo volgepropt met collectiestukken en composities, dat het beklimmen van de trap een hachelijke onderneming werd en hij nog slechts in één kamer behoorlijk naar binnen kon. De overige kamers hield hij jarenlang afgesloten, zodat hun inhoud geleidelijk verteerd raakte door vocht en droogte, insekten en de natuurlijke desintegratie van materialen die niet bedoeld zijn om de tijd te trotseren. De woning lokte daklozen aan, met in hun kielzog zwerfkatten. Bij de buren nam de ergernis toe. Het werd meer en meer een zorgelijke toestand, zodat hij uiteindelijk besloot het huis te ontruimen en van de hand te doen.

         
    Frank Castelyns, het dépôt op de Jordaenskaai, 1999 


Frank Castelyns, de trap in de Korte Noordstraat, 2007

Zijn gehuurde dépôts treft hetzelfde lot: eenmaal zo goed als ontoegankelijk geworden, laat hij ze voor langere tijd onaangeroerd, als een reserve voor toekomstige composities. Het ontsluiten en opnieuw betreden van zo’n overvolle opslagplaats, ergens op een verlaten plek in de Antwerpse haven, wordt dan als een ontdekkingstocht in zijn eigen, reeds deels vergeten verleden.

De verhuizingen
Van dingen weer weg te gooien om ruimte te winnen kan geen sprake zijn. Wel viel het meermaals voor, en zeer tot zijn spijt, dat sommige elementen zoek raakten of moesten worden achtergelaten, meestal tijdens verhuizingen, die zich in zijn kunstenaarsbestaan veel vaker voordeden dan hem lief was. Het lukte hem altijd wel enkele goede vrienden op te trommelen die voor een vervoermiddel konden zorgen en bereid waren een hele dag uit te trekken om zijn collectiestukken, niet zelden omvangrijke en moeilijk hanteerbare obstakels, met de nodige omzichtigheid te verpakken en te transporteren naar weer een ander, inderhaast gevonden dépôt. De verhuizingen gebeuren meestal noodgedwongen, doordat de verhuurder weigert het contract te verlengen – meestal uit vrees dat de collectie Castelyns ongedierte zou aantrekken of schimmels en zwammen doen ontstaan. Achteropgeraakte huurbetalingen deden ook geen goed om de goodwill te verhogen. Hoeveel uitstelgedrag een verhuurder aankan valt nooit precies in te schatten. Af en toe kwam het tot conflictsituaties die escaleerden naar oncontroleerbaarheid, zodat ontruiming steeds urgenter en dus ook neteliger werd. In dergelijke gevallen ging hij te rade bij een bevriend advocaat die vaak pro deo optrad ten gunste van kunstenaars en maatschappelijke randgevallen. Als dan toch een aantal composities en materialen verloren moest gaan, bleef hij er filosofisch bij. Een verlies is nooit onherstelbaar, want zijn werk is als de natuur: het regenereert vanzelf. Telkens anders maar toch steeds weer hetzelfde, kan het zich vernieuwen en blijven aangroeien tot zijn laatste dag.

Een appreciatie
Zijn oeuvre is een monument voor het vergankelijke, het futiele, het hopeloze. Waar andere kunstenaars hun werk een twijfelachtige meerwaarde pogen te verlenen door het gebruik van stabiele en kostbare materialen, doet hij net het omgekeerde. Zo is hij, met zijn levenslang volgehouden miserabilisme, stilaan uitgegroeid tot een levende legende, die in de kunstwereld ook erkenning kreeg, zij het dan in beperkte kring. Want hoewel hij het allerminst zo bedoeld heeft, is Frank F. Castelyns in de eerste plaats een artist’s artist, het type dat andere kunstenaars boeit en inspireert, maar niet zo gauw geliefd raakt bij het bredere publiek. Hij produceert nu eenmaal geen dressoirkunst, geen restaurantkunst, geen kunstbeurskunst, geen bravemensenkunst. Weliswaar ontmoet hij bij elke tentoonstelling bezoekers die opgetogen reageren, maar ook andere die zich kwaad maken en zijn werk als een opzettelijke provocatie opvatten. Soms kwam het tot verwijten en zelfs agressie, waar hij met grote ontsteltenis op reageerde. Ook viel het herhaaldelijk voor dat zijn werk achteloos werd weggegooid door het plaatselijke personeel, dat het niet als kunst maar als een flauwe grap opvatte.
Maar misschien méér dan zijn werk op zich is het zijn onvermoeibare hamsterdrift die aanspreekt, zijn obsessieve speurtochten, zijn met christelijk fatalisme aanvaarde semi-marginaliteit, en de onuitgesproken maar vast wel ecologische filosofie die eraan ten grondslag ligt. Als hij ooit bij een of andere stroming wordt ondergebracht moet dat wel de individuele mythologie zijn, waarin de kunstenaar zijn persoonlijk leven geheel met zijn oeuvre laat samenvloeien, zodat het thema van zijn werk ook het thema van zijn leven is. Frank F. Castelyns belichaamt zijn werk, draagt het uit, vertegenwoordigt het.

Nieuwe kansen
Wellicht de eerste die veel in hem zag was Guillaume Bijl, die hem meermaals verder hielp van zodra hij voldoende vat had op de echelons van de kunstwereld. Als Castelyns deelnam aan tentoonstellingen in binnen- en buitenland was dat meermaals gegenereerd door Bijl of diens partner Ulli Lindmayr. Ook maakte Bijl in 1986 een werk dat enigszins bij Castelyns aansluit, nl. zijn 235 Belangrijke en minder belangrijke foto's uit de 2de helft van de 20ste eeuw, dat bewaard wordt in het Antwerpse Muhka. Het gaat hier om een reeks kleine en zeer alledaagse kiekjes, die nooit werden opgehaald in de fotozaak. Een foto die men ‘geslaagd’ zou noemen is er niet bij – de meeste zijn onscherp, fout gecadreerd, te donker of overbelicht, kort gezegd ‘mislukt’. Ook wat zij vertonen is onbenullig en amateuristisch: spelende kinderen, een feestend echtpaar, amateursvoetbal, een hond in een badkuip. Maar anders dan Castelyns gaf Bijl, in zijn rol van archeoloog der hedendaagse wereld, elke opname een sober houten lijstje, als om het willekeurige beeld tot artistieke hoogte te verheffen. Ook is er van de ironie en misleidende bedoelingen die elk werk van Bijl kenmerken bij Castelyns absoluut geen sprake. Geen Belgisch kunstenaar was ooit méér van elke ironie ontbloot dan Castelyns. 
Zijn reputatie bereikte Jef Cornelis, programmamaker bij de BRT en in de jaren 1990 tevens voorzitter van de Commissie Beeldende Kunst. Hij kende Castelyns een bescheiden werkbeurs toe en stelde de commissie voor een werk van hem aan te kopen voor de Vlaamse Gemeenschap, een stap die haast een provocatie leek. Toen dit niet haalbaar bleek wist hij de gemiste aankoop te compenseren door hem nog over twee jaar een veel grotere beurs te bezorgen. Als overtuigend document, tevens enige dossierstuk, fungeerde naar verluidt een door Castelyns handgeschreven tekst, die tot nog toe nooit werd vertoond. Ook Joost Declerq van de Gentse galerie ’t Gewad, Chris Straetling van de Antwerpse ruimte Inexistent, Wilfried Huet van Initiatief d’Amis in Gent, oger genoemde Ulli Lindmayr en de kunstcritici Wim Van Mulders en Luc Lambrecht kenden en waardeerden zijn werk. Zo kon hij deelnemen aan de kunstbeurs van Barcelona, en in 1995 aan de tentoonstelling Kunst-Heimat-Kunst in Graz. In 1998 toonde hij zijn werk in de prachtige ruimte Hal aan de Bleekhofstraat in Antwerpen, en in 2001 nam hij deel aan de zeer omvangrijke groepstentoonstelling Ici et Maintenant in het Brusselse Tour & Taxis. 
 

Geert Verbeke
In een latere fase ondervond hij erkenning van de zijde van Geert Verbeke, in 2007 oprichter van de Verbeke Foundation in Kemzeke, een tentoonstellingsruimte in de natuur waar allerlei vormen van ecologische kunst, recuperatiekunst en bio-art aan bod komen. Verbeke bouwde speciaal voor Castelyns een structuur van zes dwars over elkaar gestapelde scheepscontainers, bedoeld om zijn stock op te slaan en zijn composities permanent te exposeren. Een bezoek aan de containerconstructie bleek evenwel niet zonder risico voor het publiek en kon dus alleen op aanvraag. 


De Castelyns Containers op de terreinen van de Verbeke Foundation, 2007


Twee composities in de Castelyns Containers, 2007

  
Castelyns Containers, Verbeke Foundation, 2007

Terugkeer naar de academie
Enthousiaste waardering kwam ook van Ludo Lens, leraar tekenen aan de Antwerpse academie voor schone kunsten, die het presteerde om in genoemde kunstschool een tentoonstelling in te richten met werk van Frank F. Castelyns - oud-academiestudent - en hemzelf, en dit nog wel in de Wintertuin en ter gelegenheid van de opendeurdag 2011. Een andere Castelyns-adept intra muros, de docent grafische vormgeving Johan Devrome, zorgde voor een mooie publicatie. De aankomende kunststudenten die de academie kwamen verkennen, vaak nog vergezeld van hun ouders, moeten zich wel afgevraagd hebben of deze expositie in de eeuwenoude instelling de nieuw-academische voorbeelden presenteerde waar het in de hele vierjarige opleiding tot ‘Meester in de Vrije Kunsten’ uiteindelijk om ging.


Frank F. Castelyns in de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, 2011


Frank Castelyns, Academie Schone Kunsten Antwerpen, 2011


F. Castelyns, Academie Schone Kunsten Antwerpen, 2011

    
  F. Castelyns, Academie Schone Kunsten Antwerpen, 2011


F. Castelyns, Academie Schone Kunsten Antwerpen, 2011

‘Werkomstandigheden’ in het NICC
In 1999 nam Castelyns deel aan de tentoonstelling Werkomstandigheden – Les conditions de travail in het NICC (Nieuw Internationaal Cultureel Centrum). Ruim tien jaar later leverde de Brusselse kunstenares Joëlle Tuerlinckx in het aprilnummer 2010 van De Witte Raaf volgend commentaar:

Witte Raaf: Hoe is de keuze van de uitgenodigde kunstenaars tot stand gekomen?
Joëlle Tuerlinckx: “Ria Pacquée had het over Frank Castelyns. Ik kende hem niet, of hooguit van horen zeggen, via Ann Veronica Janssens en Michel François. Ik stelde op mijn beurt andere namen voor. Maar de voorstellen kwamen niet alleen van Ria en mij. Een van onze belangrijkste doelstellingen was om het woord weer aan de kunstenaar te geven. We bediscussieerden de voorstellen met verschillende personen. Het was een open proces. Dat was toch waar het NICC over ging: een verzameling individuen die vruchteloos probeerden om het over van alles en nog wat eens te worden. Andere factoren, zoals het nijpende geldtekort, leidden soms tot paradoxale situaties.”

Witte Raaf: Kun je de tentoonstelling beschrijven? Hoe was ze opgebouwd?
Joëlle Tuerlinckx:” Ze volgde de structuur van het gebouw en liep van de delen met het beste zicht en het meeste licht, tot de meest verborgen zones in de kelder. Die donkerste zones waren toebedeeld aan de minder bekende, de meest verdrongen praktijken. Het thema van het geld was bijvoorbeeld op de donkerste plekjes van de kelder weggestopt. De ruimte was dus volgens inhoudelijke en niet volgens esthetische criteria ingedeeld. In de kelder werd het obsessionele van een aantal kunstenaarspraktijken naar voren gebracht. Een van die kunstenaars was Frank Castelyns, met zijn dagelijkse oogst van allerhande materiaal, dat hij in loodsen opslaat. In de context van 'de (werk)omstandigheden' is dat een zinvolle bezigheid, een bezigheid die tekens oplevert, en die – bij gebrek aan alternatief? – onder de noemer kunst valt. Wat Frank Castelyns doet valt niet te recupereren. Er is niets aan te vangen met zijn opeenhopingen, en daardoor is ook niemand in hem geïnteresseerd. Maar het intrigerende is dat zijn activiteit van een ongelooflijke inzet getuigt en dat hij er kennelijk zonder ophouden mee doorgaat. Ik vond het belangrijk om te tonen dat ook een dergelijke activiteit als artistieke praktijk relevant kan zijn. Ik was geïnteresseerd in de vraag hoe je dat soort werk kan presenteren. Ook Christoph Fink was erbij, met zijn reisaantekeningen. Christoph is elke dag bezig met het archiveren van wolken, in alle ernst. Ook dat materiaal kan je op geen enkele manier recupereren. Het is een geduldig studiewerk dat beslist zinvol is, ook al kan je dat op het eerste gezicht moeilijk aantonen.”

Castelyns als dichter
Een ander, niet minder belangrijk deel van zijn werk zijn de gedichten. Hij schrijft ze in zijn kleine notaboekjes, als losse teksten temidden van allerlei invallen en opmerkingen, afspraken, boodschappenlijstjes enzomeer. De verzen hebben geen vaste structuur maar bevatten veel rijmwoorden die vaak in snelle opeenvolging verschijnen, wat de tekst ritmeert en een obsessief karakter geeft. Als hij zijn gedichten leest slaat hij een martiale toon aan, streng en nadrukkelijk declamerend, zoals ook Willem Elsschot deed. In het Antwerpse poëziecafé Den Hopsack was hij meermaals te gast.


Frank Castelyns leest gedichten in de Stadslimiet, Antwerpen 2015

De gedichten bleven lange tijd obscuur aangezien er niets uit gepubliceerd raakte. In 2011 verscheen een eerste selectie in de academiepublicatie van Johan Devrome. Een tweede editie wordt voorbereid. 

Paul ilegems
aug. 2015
Andere artikels over Frank Castelyns op theartserver.org:
In gesprek met Frank F. Castelyns op http://theartserver.org/artikels/2015/08/09/in-gesprek-met-frank-f-castelyns/
 

Categorie
Beeldende Kunst
Auteur
paul ilegems
Datum
05 augustus 2015

Deel via