portaal
agenda
artikels
piron
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact



nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Omtrent het bestaan van Inexistent
Boekbespreking

Omtrent het bestaan van Inexistent

Voor wie veel, zoniet alles wil weten over de Antwerpse kunstscène in de periode 1986-1996 is het boek van Chris Straetling over zijn ruimte ‘Inexistent’ een absolute must. Inexistent was jarenlang zowat de cul-de-sac van de Antwerpse kunstwereld, een nachtelijk hol waar iedereen iedereen ontmoette en waar de obscure kunstenaarsgroep ‘Fifty-Fifty’ zijn maandelijks reünies hield.

Het kunstleven in Antwerpen was altijd iets van stukken en brokken, een kunstleven-bij-tussenpozen. Meestal was er jaren aan een stuk zo goed als niets, wat het eenvoudigste was. In 1958 had je opeens de groep G-58, die in het Hessenhuis een drietal tentoonstellingen hield die min of meer reflecteerden wat er op artistiek vlak zoal gaande was. In 1961 viel G-58 uiteen en was er weer niets.
Vijf jaar later begon out of the blue de galerie ‘Wide White Space’ van Anny De Decker, waar bijna uitsluitend kunstenaars exposeerden die vandaag als figuren van wereldformaat worden gezien. Maar met die ene pijler, hoe stevig ook, had je in Antwerpen nog geen galerieleven, en toen in 1976 tot spijt van velen de ‘Wide White Space’ dicht ging zag het er naar uit dat het Grote Niets zijn vertrouwde stek in de dwaze Sinjorenstad weer had ingenomen.
Maar met de ‘Wide White Space’ was ook de eerste aanzet gegeven tot de opbloei van ‘het zuid’ als artistieke zone. De omgeving van de gedempte zuiderdokken, destijds nog een armemensenbuurt van verzopen cafés, oud-ijzerhandelaars en leegstaande pakhuizen, had voor kunstenaars betaalbare werkruimte in overvloed, en één na een kwamen ook galeristen als Ronny Van de Velde, Win Van den Abeele, Frank De Maegd, Marc Schepers, Jos Jamar, Micheline Szwajcer en anderen zich er vestigen. In 1987 ging  het Muhka van start, wat het aanzuigeffect nog versterkte.

Galerie?
De diverse kunstruimten waren al spoedig zo verstandig hun vernissages te coördineren. Ze brachten flink wat publiek op de been, tot groot genoegen van de Murats, Muradims en Murro’s in de omgeving. De stemming werd er almaar beter op, zodat op de duur ook de modewereld niet lang meer kon uitblijven. In zijn kielzog sleepte die een ongeteld aantal ‘trendy’ bars, bistro’s en ‘lounges’ met zich mee. En maar wokken! Maar alleszins werd met dit alles het Grote Antwerpse Niets verjaagd om niet meer terug te komen.

In zo’n klimaat kunnen verrassende dingen ontstaan, zoals de ruimte Inexistent, die ergens in de jaren 1980 in alle stilte de deur op een kier zette. Wie niet beter wist zou Inexistent gewoon een galerie genoemd hebben, want er was een vitrine aan de straatkant, er stonden of hingen dingen die je onmogelijk als meubilair of huisraad kon bestempelen, en je zag er wel eens iemand rondlopen met een glas wijn in de hand. Bovendien was het volop het zuid, op geen 300m van het Museum voor Schone Kunsten.

Toch was Inexistent geen galerie. Om dit te verduidelijken moet ik met het onbelangrijkste facet van Inexistent beginnen, tevens zijn meest inexisterende aspect, te weten het zakelijk beleid. Als je een galerie opvat als een speciaal soort winkel, een plaats waar de wil tot verkopen met minder of meer nadruk domineert, dan was Inexistent zelfs de negatie van een galerie. Je kon er als bezoeker zeker van zijn dat er niemand op je zou afkomen om je ongevraagd uitleg te verschaffen en de exposerende kunstenaar aan te prijzen. Bij Inexistent heerste de absolute afwezigheid van elk lucratief beginsel. Zodra je er binnenstapte voelde je je boven de turbulenties en tumulten van het handeldrijven uitgetild. Je bevond je in een apollinische ruimte waar niemand op dat ogenblik iets verdiende of zelfs maar aanstalten maakte in die richting. Zo was er geen tweede publieke ruimte in de hele stad, en zodra je dit besefte onderging je de opwekkende kracht die daarvan uitging.
Er stonden nochtans steevast objecten uitgestald van artistieke aard, objecten waarvan je de verkoopbaarheid altijd dient voorop te stellen. De exposerende kunstenaars bleken na enig overleg ook best bereid ervan te scheiden, want ‘To survive, an artist may have to sell his own work’, zoals Gino De Dominicis stelde. En aangezien Inexistent de gewoonte koesterde niemand iets in de weg te leggen, kon dit evengoed voor een koper gelden. Wie dus liet doorschemeren iets te willen verwerven, werd prompt in contact gebracht met de kunstenaar, waarmee hij onder vier ogen de deal in alle rust kon afhandelen. In zoverre er bij Inexistent ooit handelsdaden werden gesteld, gebeurde dit omzeggens buiten Inexistent om, en er was dus ook geen sprake van dat Inexistent een deel van de verkoopsom zou bedingen - zulks kon in deze filosofie alleen een ongehoorde aanmatiging zijn. De bal lag dus geheel bij de kunstenaar.


Een performance van Ria Pacquée bij Inexistent

Van grotere betekenis dan het warenverkeer was de woonfunctie van Inexistent. De ruimte bood onderdak aan zijn bewoner, die zodra de laatste bezoeker het pand had verlaten een raampje openzette en zich te rusten legde in de volop nawalmende rookslierten waaraan hij het zijne had bijgedragen. De slaapstede van Inexistent bevond zich op een boven de hoofden der bezoekers hangend platform, dat deels op een paal rustte en deels aan het plafond was opgehangen, een ingenieuze en ruimtebesparende constructie die in al haar eenvoud en labiele stevigheid enig respect afdwong. Eenzelfde vernuft kenmerkte ook de tentoonstellingen of uitstallingen, kortom de exhibities.

Ongrijpbaar
Af en toe had je in ruimte Inexistent een kunstenaar die zijn werk op ostentatieve wijze openbaar maakte, zoals dat in de galeriewereld sinds jaar en dag gebruikelijk is. Doch meestal was de tentoonstelling het resultaat van overleg en coöperatie met de amicale bewoner, om zo tot oplossingen te komen die kwaliteiten als subtiliteit, inventiviteit en discretie op allervoordeligste manier deden uitkomen.
Soms ook zag je alleen maar een voorlopig lijkende opeenhoping van min of meer geordende, mogelijk zelfs samenhorende objecten, die iemand daar voor een onbestemd doel leek te hebben achtergelaten, en waarvan je nooit helemaal zeker kon zijn of het wel geoorloofd was ze tot de kunst te rekenen. Enig systeem of redenering viel daarin niet meteen te ontrafelen, maar uiteenlopende, vaag vermoede verbanden en verwijzingen prikkelden de fantasie en brachten de gedachten op gang. Eigenlijk waren de vertoonde objecten slechts in beperkte mate bijzonder, maar hun visuele charme en betreurenswaardige obsolentie maakten weer veel goed. Het geheel had in zijn complexiteit altijd iets ongrijpbaars, met hier en daar 'farfelue' accenten die aangebracht leken door een malicieuze dwarsdrijver. Zo werd er gesold met de boodschap, en zo leverde Inexistent mij vaak indringender ervaringen op dan wat het Antwerpse kunstleven in doorsnee te bieden had. En als zo vaak in de kunstwereld bleef ook hier de vraag van Groucho Marx van toepassing, als hij in ik weet niet meer welke film een universitaire aula komt binnenstormen en de docerende professor toeroept: “Is all this on the level or are you making it up while you go along?”

De soirées bij Inexistent begonnen pas op het uur waarop de zuidgaleries hun laatste bezoekers met zachte hand naar buiten werkten. Inexistent was het laatste oord van toevlucht voor de nog op kunst beluste en van gespreksstof blakende kunstliefhebber. Ook kwam er al eens uit een naburig café een buurtbewoner binnenzeilen, die dan steevast van vin du pays werd voorzien en urenlang ongemoeid gelaten.
Consumpties werden vaak door bezoekers meegebracht, want budgettair rees Inexistent nooit ver boven de zeespiegel uit, en zodra die genuttigd waren was er altijd nog een uitwijk mogelijk naar café De Sportvriend enkele huizen verder, waar alle nog aan gang zijnde gesprekken een beslissend of voorlopig eindpunt bereikten.

In 1996 was het met Inexistent nog niet afgelopen. Het pand in de Volksstraat werd weliswaar verlaten, maar Inexistent ‘fusioneerde’ met ‘Quarantaine’ van Harry Heirmans tot Factor 44, die nog tien jaar lang succesvol verwarring zou blijven zaaien in de Antwerpse kunstwereld.
Een boek over de Factor 44-jaren, eveneens grotendeels door Chris Straetling geschreven, verscheen al in 2005 en vormt zowat de pendant van de huidige publicatie.

PI
April 2008


Redactionele Machinaties omtrent een INEXISTENT revue FIFTY-FIFTY tot en met AK – 37, 1986-1996
Een productie van Bureau Gruzemayer, met steun van de Vlaamse Gemeenschap
Door Chris Straetling, met bijdragen van Anny De Decker, Jef Lambrecht en Paul Ilegems.
ISBN 978-9-0812-9031-9
Prijs 10 euro


paul.ilegems@theartserver.org
21.04.2008



top | 04 07 2008 04:49
print