portaal
agenda
artikels
piron
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact



nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Boon’s Feminateek
Eindelijk gecensureerd

De opening van Boon’s Fenomenale Feminateek in het Antwerpse FotoMuseum was voorzien voor 20 juni 2008. Ludo Helsen, verantwoordelijke voor cultuur van de provincie Antwerpen, koesterde echter bedenkingen en meende dat “Boon soms in een bepaalde richting ging die vandaag wenkbrauwen zou doen fronsen.” Wat Helsen hier suggereert kan niet verkeerd begrepen worden: hij vermoedt dat de Feminateek pedofiel materiaal bevat. Een inval van de politie vrezend, wie weet zelfs een optreden van het parket, drong hij er bij directeur Christoph Ruys op aan, persoonlijk aanwezig te zijn bij de installatie van de tentoonstelling om de wenselijkheid van Boon’s fotoknipsels naar hedendaagse normen te beoordelen.

Wie alleen maar de inhoudstafel van Boon’s Feminateek even doorbladert – die telt niet minder dan 38 pagina’s, en is ingedeeld in 144 afdelingen – begrijpt meteen dat Ludo Helsen het rode potlood erg vaak zou moeten hanteren.

 

 
In de eerste 167 foto’s behandelen het meisje van twee tot twaalf jaar, onderverdeeld in het ‘kind-vrouwtje’ en de ‘vroege puberteitsjaren.’ De drie daaropvolgende afdelingen (foto’s 168 tot 566) zijn gewijd aan de ‘volle puberteit’, het ‘Lolita-kindje’ en het ‘Lolita-meisje’. De hoofdstukken 47 tot 51 onthullen het vrouwelijk geslacht in meer dan 500 beelden, en in de hoofdstukken 60 en 61 krijgen we de vrouw in de pornofilm te zien in nog eens 300 foto’s.

Maar dik driekwart van de Feminateek zal voor Ludo Helsen wel als ‘onschuldig’ bestempeld worden, en dus geschikt voor het brede publiek dat dagelijks de vloeren van het FotoMuseum platloopt.

Maar dat wacht je dan toch beter af, in plaats van preventief te gaan censureren? Bovendien is het opkuisen van de Feminateek duidelijk onbegonnen werk. Maar goed, dat directeur Ruys de Antwerpse provinciedeputé die helse karwei heeft bespaard door maar wijselijk te besluiten, het hele project af te blazen. De brave man, die al dicht tegen zijn pensioen aanzit, zou het misschien niet hebben overleefd.

Storend in deze zaak is vooral dat Ludo Helsen, om niet voor bekrompen moraalridder te worden versleten, dan maar als reden opgaf dat het artistieke niveau van de Feminateek “ondermaats” was. Als vooruitziende burgervader wilde hij het publiek een te grote ontgoocheling besparen: “Vaak zijn het maar wat krantenknipsels of zo. Ik heb thuis nog een verzameling plaatjes van sjotters en wielrenners en die toon ik ook niet in het FotoMuseum.”
En nu maar hopen dat hij daarmee niet wou bedoelen dat hij zijn ‘sjotters en wielrenners’ evenwaardig acht aan de Feminateek - en impliciet ook zichzelf evenwaardig aan Boon.

   

     

 

Hetgeen Boon’s Feminateek zo belangwekkend maakt, is immers allereerst de persoonlijkheid van de zelfverklaarde ‘viezentist’, tevens volgens velen de grootste schrijver van de twintigste eeuw in het Nederlandse taalgebied, die de collectie samenstelde en becommentarieerde. En secundo haar enorme omvang en doorgedreven systematiek, die de Feminatheek tot een uniek tijdsdocument maakt.

Helsen’s onbezonnen manoeuver zorgde meteen voor een fikse rel in de Vlaamse media.

Yves Desmet, hoofdredacteur van De Morgen, schreef al de volgende dag in een editoriaal: “Deze grote verlichte geest liet zich nooit eerder opmerken door enig cultureel standpunt, zelfs niet door een standpunt tout court,” en noemde daarbij als enige uitzondering het inderdaad erg genante pleidooi van Ludo Helsen om de oude Vlaamse liederenschat (schietspoele sjerrebekke spoelza!) weer in de scholen aan te leren.

Voor Desmet is de Feminateek “een historisch-literair fotodocument zonder weerga dat instrumenteel is om het werk en de demonen van Louis Paul Boon te kaderen”. Hij noemt de interventie van Helsen een “archaïsche idiotie” en pleit er zelfs voor, deze provinciale cultuurdrager “onmiddellijk iedere verantwoordelijkheid over cultuur te ontnemen.”

Helsen verdedigde zich in een ingezonden stuk, maar in plaats van zijn tussenkomst nader te motiveren, greep hij de kans aan om de positieve effecten van zijn beleid als deputé te onderstrepen. Zodoende bracht hij geen enkel nieuw element of argument in de discussie, en maakte hij alleen wat reclame voor zichzelf. Hij had ervoor gezorgd dat de boekenbeurs in Antwerpen kon blijven in plaats van naar Gent te verhuizen, zoals even het voornemen was. Hij had de Herman de Coninckprijs voor poëzie mogelijk gemaakt en dankzij hem was er een literatuurprogramma gekomen op de regionale zender ATV.

Verder stelt hij dat “het FotoMuseum inderdaad beter ruimte kan vrijmaken voor de zovele fotografen wiens werk omwille van hun artistieke waarde onze aandacht verdient”.

Het wachten is nu op een door Helsen gepatroniseerde tentoonstelling met erotisch-scabreus werk van internationaal vermaarde fotografen als Hans Bellmer, Robert Mapplethorpe, Cindy Sherman, Andres Serrano, Joel-Peter Witkin, Nobuyoshi Araki, Sally Mann, Walter Chapell en vele anderen (van laatstgenoemde werden in 1999 negen foto's verwijderd op Holland Festival wegens pedofiele implicaties, maar kort daarop weer vrijgegeven).

Ook Patrick Dewael mengde zich in het debat en schreef in een ingezonden stuk in De Morgen: “Als gewezen minister van Cultuur vind ik het onaanvaardbaar dat een politicus zich mengt in de artistieke vrijheid van een museum dat net tot doel heeft maatschappelijke en cultureel relevante collecties voor te stellen aan een breed publiek. Het is niet aan de politiek om te beslissen wat volwassen bezoekers mogen zien of niet. Met deze beslissing loopt de CD&V-gedeputeerde het Vlaams Belang achterna die vanuit een eng mensbeeld alleen aandacht wil besteden aan culturele exploten die de eigen volksgemeenschap 'verheffen’.”

Dewael heeft het over de “oekazes van een bekrompen gedachtepolitie”, over “hedendaagse ayatollahs” die “de mens opnieuw in hun mallen willen gieten”, en herinnert eraan dat De Paradijsvogel van Louis Paul Boon uit 1958 op de Index librorum prohibitorum terechtkwam, de Vaticaanse lijst van de verboden boeken, die tot 1966 van kracht bleef.

De commotie rond de Feminateek doet hem terugdenken aan de jaren vijftig, “waarin de macht van het gezinshoofd, de onderwijzer en de pastoor over respectievelijk de gezinsleden, de leerlingen en de parochianen absoluut was”, en Dewael besluit met het verbieden van de Feminateek “een totaal verkeerd signaal” te noemen.

Voorts is er nog de Lierse schrijver Stefan Brijs, die prompt aankondigde dat hij uit protest tegen de schrapping van de Feminateek zijn pas gekregen Provinciale Prijs voor Letterkunde (zijnde 2.480 euro) integraal zou terugstorten aan de Provincie Antwerpen. Waarbij dus de bankrekening van Stefan Brijs het eerste werkelijke slachtoffer is van de Feminateek-heisa.

Een week later gooide cineast en satirisch columnist Marc Didden nog wat olie op het vuur door nu ook de directeur van het FotoMuseum aan te vallen: “wat een lamzak moet die conservator toch wel zijn als hij zich inhoudelijk zomaar door een ringbaardaap de les laat spellen en toelaat dat de ontsluiting van een cultureel-historisch gezien zonder meer belangrijke collectie als de werkelijk fenomenale feminateek van Boontje op bedenkelijke morele gronden verhinderd wordt en straks misschien in Gent, in misschien weinig museale omstandigheden, te grabbel wordt gegooid.” (De Morgen, 8 februari 2008)

Tom Lanoye sluit zich in Humo bij Didden aan: “één politieke ringbaard geeft vooraf zijn fiat of zijn veto aan de programmering van een volledig kunstenhuis? En de directeur daarvan ligt als een vloermat onder die slof te knikken en te slikken? Ontsla om te beginnen die kerel. Dat is geen directeur maar een koffiezetter. Zijn uitgespaarde loon kan een naamsverandering bekostigen. Een Museum kun je dit bordeel, alle échte musea ter ere, nooit meer noemen. Zijn voorgaande tentoon-stellingen zijn op slag gediscrediteerd. Ze vormden geen onderdeel van een visie.”

Mogelijk had Christoph Ruys alle herrie kunnen vermijden door Helsen te wijzen op het riskante van zijn interventie, door hem te kalmeren. Maar dat was hoogst waarschijnlijk boter aan de galg, en dus bleef hem maar één weg open. “Slechts een selectie uit de Feminatheek brengen, was geen alternatief”, stelde Ruys zeer terecht, “het was net de bedoeling om héél de collectie te presenteren, als de beeldbank avant la lettre van een belangrijke Vlaamse auteur. Maar al labelden we dit met "kinderen niet toegelaten", de kans leek ons te groot dat de nadruk op de verkeerde aspecten zou komen te liggen.”

Dit is nu net het essentiële punt van de hele Feminateek: je moet ze in haar totaliteit kunnen zien, met alle beelden mooi objectief en evenwaardig naast elkaar. De Feminateek is een geheel, zij het dan een nooit afgewerkt geheel, ongeveer zoals een dagboek of een brievenverzameling. De 22.400 foto’s zijn stuk voor stuk door de samensteller geselecteerd en in een afdeling ondergebracht.

Haal je er drie foto’s uit, dan is het voorspelbare gevolg dat heel Vlaanderen en Nederland net die drie beelden zal willen zien, en dit niet om hun vermeende schokkende waarde, maar om de criteria te doorgronden. 

Want welke zouden die criteria kunnen zijn?

Artistieke criteria?
De min of meer erotisch bedoelde foto’s in Amerikaanse nudistentijdschriften, Franse boulevardbladen genre Ici Paris, Paris-Soir en Ciné Revue, Zweedse pornoboekjes en onze Vlaamse Piccolo en De Lach hadden nooit enige artistieke pretentie en kunnen dus bezwaarlijk vanuit die hoek worden beoordeeld. Puur fotografisch heeft niemand er enige boodschap aan, en de fotografen nog het minst van al. Ook pretendeerde Boon nooit dat zijn Feminateek kunstzinnige bedoelingen had.

Toch kan dit geen reden zijn om ze te weigeren voor het FotoMuseum, dat immers graag aandacht schenkt aan nieuwsfotografie, topografische fotografie, inventariserende en wetenschappelijke fotografie etc.

Technische criteria misschien?
Het is bekend dat fotoliefhebbers graag plegen te kicken op technisch vernuftige foto’s, donkere-kamerpoespas en digitale magie, maar in de Feminateek valt op dat vlak niet veel te rapen.
De erotische fotografie wordt algemeen gekenmerkt door haar zeer voorspelbare, kitscherige effecten. Tegenlicht! Het Vrouwelijk Naakt als Landschap! Borsten in de Branding! De in Witte Drapering gehulde Blondine bij een Paard!

De pornografische fotografie herken je overal ter wereld aan haar vals licht, slechte kadrering, storende details, te bleke of te donkere afdrukken, stofpartikels, enzovoort - elementen die mogelijk net bedoeld zijn om het verboden en klandestiene karakter van de opnames te accentueren. Maar ook Warhol-fotografen als Billy Name en Stephen Shore maakten in hun ‘Factory’-tijd uiterst onverzorgde prints. Rudy Kousbroek wordt zelfs net door deze nonchalante aanpak beroerd (men leze zijn essay De troost der pornografie, 1984), en Joost Zwagerman acht ze zelfs onmisbaar (zie Pornotheek Arcadië, 2000).

Morele criteria dan?
Heel mooi, maar wie zal ze vastleggen? De morele criteria waren dertig jaar geleden heel anders dan in onze hedendaagse internetcultuur, die elke snotneus toelaat de meest scabreuze beelden moeiteloos te bekijken en te bewaren. Anno 1978 werden de zogenaamde mannenbladen vaak nog gecensureerd met zwarte rechthoekjes die op de sensibele zones waren gestempeld, zodat de pagina’s aan elkaar kleefden (wie liet zich toch met dit soort van activiteit in? Wil hij zich NU even bekend maken?).

En wie even zestig jaar wil teruggaan, zou zich in een haast onherkenbare wereld wanen, een wereld van seksuele onderdrukking, schaamte en extreme hypocrisie – maar dàt was precies de wereld zoals Louis Paul Boon hem kende - en hartstochtelijk afkeurde.

Dus ook met de moraal kom je nergens. Als Boon’s zoon Jo het wil, ligt de complete Fenomenale Feminateek overmorgen in de Fnac, netjes verpakt in een mooi ontworpen cd-hoesje.

Het enige wat van tel is, is de Feminateek als een uniek Boon-document, en het enige wat daarbij past is een hoog respect voor het kolossale werkstuk waar Boon in zijn vrije uurtjes met schaar en lijmpot aan knutselde, geholpen door zijn vrouw Jeanneke en intussen volop beseffend dat hij het nooit rond zou krijgen.

Een oeuvre van die omvang kun je alleen maar zwijgend openleggen voor het publiek, uiteraard integraal, en met als enig standpunt het literair-wetenschappelijke argument.

Maar goed – de Feminateekgekte is nog maar net begonnen.
De expo mag dan in Antwerpen geannuleerd zijn, in Gent zal hij bloeien en duizenden kijklustigen aantrekken. Schrijfster Anne Provoost wil de Feminateek in avant-première opvoeren tijdens het literaire festival Zogezegd van Radio 1 en Boek.be op 4 april.

Maar uiteraard gaat het hier slechts om een selectie, en dus eigenlijk een non-event, als we het correcte standpunt van Christoph Ruys blijven respecteren.

Ook Ludo Helsen heeft het nog steeds niet begrepen: hij kondigt een eigen Boon-expo aan, mogelijk te houden in zijn eigen thuishaven, het Antwerpse Provinciehuis (De Morgen, 12 feb 2008), met een selectie uit de Feminateek.
Allen daarheen! (kinderen toegelaten).

Maar wie zal dan zo snugger zijn om met Jo Boon, eigenaar van de Fenomenale Feminateek, gauwgauw overeen te komen om net het àndere deel te tonen, het door Helsen weggeselecteerde en geweigerde, het Salon des refusées van de Feminateek!
Dan is voor Ludo Helsen de catastrofe niet te overzien.

Op 14 februari 2008 vroeg het Vlaams Belang in de provincieraad van Oost-Vlaanderen de annulering van de tentoonstelling van de 'Fenomenale Feminateek' in de Gentse Vooruit, of ze minstens ontoegankelijk te maken voor minderjarigen en in ieder geval de naaktfoto's van minderjarigen te verbieden. "Dat deze tentoonstelling plaatsvindt en bovendien in een instelling die rijkelijk en hoofdzakelijk door de overheid wordt gesubsidieerd, is voor het Vlaams Belang onaanvaardbaar", luidt het.

Enkele dagen later reikte het cabarettheater 'De Zwarte Komedie' Ludo Helsen een helpende hand door zijn ruimte ter beschikking te stellen voor de expo van de Feminateek. Overigens had de Zwarte Komedie er al ervaring mee, want in 1982 was de collectie naaktprentjes er al eens drie maanden lang te aanschouwen. Er kwamen toen zo’n 10.000 bezoekers op af, en niemand die een klacht indiende.

Wat nog maar eens verduidelijkt hoezeer de normen verschoven zijn sinds de Witte Mars, en hoezeer de bezorgdheid en gevoeligheden van een aantal Vlaamse gezagdragers zijn toegenomen.

Paul Ilegems
12.02.2008

paul.ilegems@theartserver.org


top | 16 05 2008 00:27
print