portaal
agenda
artikels
piron
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact



nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Een Documenta met te weinig Chinezen


De Documenta van Kassel is zowat de belangrijkste manifestatie van hedendaagse kunst ter wereld. Ze heeft om de vijf jaar plaats in het stadje Kassel en is in 2007 aan haar 12de editie toe. Nog tot 23 september vallen er ruim 500 kunstwerken te bewonderen of te verwerpen van meer dan 100 kunstenaars, waaronder vrij veel minder bekende figuren uit Afrika, Azië, Zuid-Amerika en Oost-Europa.

Voor de organisatie van een Documenta wordt jaren op voorhand een directeur aangeduid die zeer grote bevoegdheden krijgt. Hij kan zijn royaal toegemeten budget spenderen zoals hij verkiest en hoeft geen rekenschap af te leggen over zijn concept of de keus van zijn medewerkers. Maar als hoofdverantwoordelijke van het hele gebeuren vangt hij ook alle kritiek, en hij wordt dan ook beurtelings opgehemeld en verguisd, zoals Jan Hoet in 1992 moest ondervinden.
Van het budget van 23 miljoen euro wordt de helft gedragen door stad en staat, de andere helft moet van sponsoring komen en uiteraard ook van de toegangskaarten. U betaalt 18 euro voor een dagticket en 27 euro voor twee dagen. Maar eigenlijk blijkt het best mogelijk het allemaal op één dag te zien, aangezien deze Documenta vrij weinig videofilms heeft.

Drie ‘principes’ van de Documenta
Hoewel elke Documenta onmiskenbaar het individualistische stempel van zijn maker draagt, valt er in de opeenvolgende Documenta’s toch een algemene lijn terug te vinden. Er heeft zich een bepaalde traditie gevormd, en je moet al van goede huize zijn om die radicaal om te buigen.

Het eerste principe is overduidelijk dat de Documenta een ernstig gebeuren is. Duitse ernst, nog wel. Men is hier niet gesteld op lichtzinnige of frivole toestanden, Disney-elementen of pretparkattributen. Daar heb je de Biënnale van Venetië voor (/You go to glamorous, sun-splashed Venice to party, gaze and graze; you come to gray, pleasureless Kassel to think, /schreef de New York Times). Jan Hoet durfde er hier en daar nog wat gekheid over uitstrooien,  maar na hem maakte de Française Cathérine David alles weer super-ernstig door over de hele Documenta een typisch Frans filosofisch discours te draperen waar niemand ooit de draad van te pakken kreeg.

Een tweede principe is dat de Documenta humanistisch en idealistisch is. Dit was al zo van bij het begin, toen het echtpaar Bode in de jaren 1950 en ’60 de eerste drie Documenta’s organiseerde. Zij wilden de smet van het nazisme en zijn ‘Entartete Kunst’ uitwissen door er een kunst tegenover te plaatsen die de ethische waarden als een universeel gegeven naar voren bracht. In de jaren 1980 werd deze lijn wat minder nauw gevolgd, maar sinds de jaren ’90 is ze weer volop terug.

Het derde principe valt min of meer uit de twee vorige af te leiden: de Documenta heeft een koppig volgehouden anti-commercieel karakter. Hier geen gebruikskunst, geen gadgets, niets dat naar design neigt, niets dat er vlot verkoopbaar uitziet. In haar afkeer om commercieel te lijken heeft de Documenta altijd afstand gehouden van Amerikaanse kunstenaars met hoge spektakelwaarde (genre Koons of McCarthy), en bovenal van de grote Amerikaanse galeries die maar wat graag hun nieuwste kunstenaars op de Documenta zouden etaleren, en daarvoor met de ogen dicht in hun portefeuille zouden graaien.

De Documenta-directie
De huidige Documenta-directeur is Roger Buergel, een man die geen grote naam heeft in de kunstwereld. Toen hij in 2003 werd aangewezen voor dit artistieke topevenement verwekte dat enige sensatie. Buergel studeerde filosofie in Wenen en fungeerde twee jaar lang als secretaris van de Oostenrijkse kunstenaar Hermann Nitsch. Deze Nitsch staat bekend als mede-oprichter van het beruchte Wiener Aktionismus, een anarchistische kunstenaarsgroepering die keer op keer het Oostenrijkse publiek dooreenschudde met bijzonder provocerende Aktionen, waarin het bloed van het slachtvee alle kanten opspatte.  Buergel werkt nauw samen met zijn vrouw Ruth Noack, en zo ook voor deze Documenta. 
Het echtpaar is vrij uitgesproken links georiënteerd. Hun kunstbegrip is gelieerd met politieke bewustmaking en verandering van de samenleving, een idee die ook door Beuys werd uitgedragen, en daarmee zit je in Duitsland altijd goed. Hun Documenta 12 vormt daarop geen uitzondering. Ze willen niet alleen de kunstkenner aanspreken, maar vooral het bredere publiek dat minder is ingewijd. De nadruk ligt op educatie, en er zijn scholieren  actief die de bezoekers rondleiden.

Dood aan de ‘commerce’!
Documenta 9 van Jan Hoet (1992) trok 603.000 bezoekers aan. Dat waren er liefst 129.000 méér dan zijn voorganger Schneckenburger in 1987. Maar Hoet had het dan ook groots aangepakt - zijn Documenta had zowat alle beschikbare expositieruimte van Kassel opgeslokt, waar hij nog het tijdelijke Aue-paviljoen aan toevoegde, gebouwd door twee Brugse architecten. Ook gewoon op straat kon je her en der elementen van de Documenta aantreffen, zodat ze wel eens oneerbiedig met een kermis werd vergeleken. Op de brede trappen die door het park naar de Auerivier leiden (eigenlijk veeleer een beek, want zonder veel aanloop spring je erover) bevonden zich kraampjes met worsten en loempia’s, ijs en watermeloen, speelgoed en gadgets, Afrikaanse spullen en bedrukte T-shirts. Tegenover het Fridericianum had boekhandel Walter König een grote witte container opgesteld waar alles over hedendaagse kunst te koop was, en in het Aue-paviljoen kon de kleine kunstverzamelaar edities aanschaffen van een stuk of tien kunstenaars. Op de huidige Documenta is van dit alles geen spoor. De trappen zijn leeg, König is nergens te bekennen. Je vindt er met moeite een kaartje of affiche. Een opvallende kaalheid. Roger Buergel en zijn vrouw hebben het leidsel bijzonder strak gehouden.

650.000 bezoekers
De 12de Documenta verwacht minstens 650.000 bezoekers, wat de plaatselijke middenstand geen windeieren legt. Het toeristisch onaantrekkelijke provinciestadje Kassel beleeft om de vijf jaar een hoogseizoen, en dit is niet onopgemerkt gebleven. Voor elk hotelier of restaurateur is dit een voorbeeld tot navolging. Ook in België is dit te merken, want terwijl dertig jaar geleden de zomerdagen nog werden gekenmerkt door totale rust en zalige verveling, heeft vandaag elk dorp zijn kunstenfestival met een uitgebreide groepstentoonstelling, gespreid over meerdere locaties. Zo wil de locale burgemeester samen met de schepen van middenstand & cultuur (als zij al niet één en dezelfde persoon zijn) zijn dorp een culturele uitstraling schenken en en passant de terrasjes bevolken. Want dit is de enige les die de horeca uit de Documenta onthouden heeft: kunst en catering vormen een innig paar.
Maar ook op dit vlak blijft deze Documenta opvallend sober en kleinschalig. Blijkbaar is voor Buergel inzake catering alleen het allerbeste goed genoeg, en daarom had hij de beroemde Spaanse kok Ferran Adrià van het restaurant El Bulli in Barcelona naar Kassel uitgenodigd om er zijn culinaire talenten ten toon te spreiden voor de kunstliefhebbers. Naderhand bleef de kok liever in Spanje, maar zijn El Bulli is wél een officiële locatie van de Documenta. Elke dag wordt daar een tafel gereserveerd voor twee Documentabezoekers. Wie er mag aanschuiven wordt door Buergel zelf bepaald, en wel “volledig willekeurig.” De reis naar Spanje wordt voor de gelukkigen bekostigd door de Spaanse toeristische dienst.

De zwaarte van het concept
Om een idee te geven van de bijzondere zwaarwichtigheid van deze 12de Documenta: het echtpaar Buergel stuurde een honderdtal kunstenaars een lijstje met drie vragen:
1° Worden onze hedendaagse cultuur en maatschappij nog steeds geregeerd door de modernistische idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap?
2° Wat is het gewicht van de politieke dimensie op ons alledaagse leven, in het bijzonder op de seksualiteit?
3° Wat is het belang en wat zijn de mogelijkheden van opvoeding en bewustwording van de kunst?
De vragen werden algauw herleid tot een wat simpeler gedaante: 1° Zijn de modernen onze klassieken? 2° Wat is het naakte bestaan? En 3° Wat staat ons te doen?
Maar zelfs in deze vorm blijft het nog sehr schwer. Het zijn ook erg open vragen waarop alleen even open antwoorden kunnen volgen, antwoorden waar geen mens wat aan heeft.
En is het wel aan de kunstenaars om de levensvragen op te lossen? Waarom zouden zij daar meer over weten dan bv. garagisten, verpleegsters of scheikundig ingenieurs?
Er wordt ook een verband gelegd tussen het politieke leven en de seksualiteit, wat ons naar het feminisme leidt. Deze Documenta bevat inderdaad enkele feministische accenten (bv. Mary Kelly), maar erg weinig. En ook al worden de bezoekers er steevast in de vrouwelijke vorm aangesproken ('Besucherinnen’, ‘Künstlerinnen', 'Journalistinnen’), toch heb je niet de indruk dat het feminisme domineert. Nochtans zijn hier voor het eerst in de geschiedenis méér vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars vertegenwoordigd, een absolute primeur waar vreemd genoeg de meeste commentatoren aan voorbijgaan. Van de vijftien Amerikanen die deelnemen zijn er zelfs niet minder dan elf vrouw. Als statement kan dat tellen. Gesteld dat de Documenta werkelijk de toon zet voor de eerstkomende vijf jaar, dan ziet de toekomst er voor de mannelijke kunstenaars erg somber uit, zeker als zij Amerikanen zijn.

De Amerikanen
Wie zouden die vier mannelijke Amerikanen wel zijn? Welnu, we vinden de sinds lang beroemde minimalist John McCracken terug, de eveneens zeer bekende zwarte schilder Kerry James Marshall, de uitgesproken feminist en anti-globalist Allan Sekula, en de minder bekende documentairemaker David Thorne.
Van de Amerikaanse vrouwen zijn er een paar al dood, zoals Lee Lozano en Agnes Martin. Een paar anderen zijn op pensioensleeftijd (Eleanor Antin, Trisha Brown en Mary Kelly). En ook dít lijkt deze Documenta te typeren, nl. dat we hier opvallend veel oudere kunstenaars zien aantreden. Het lijkt wel of Buergel en Noack de recente kunstgeschiedenis willen herschrijven door allerlei wat veronachtzaamde of reeds overleden kunstenaars voor het voetlicht te halen. En nog het liefst figuren die voor de kunstmarkt niet vanzelfsprekend zijn. Een zeer bewuste keuze die zelfs iets subversiefs heeft, en dit bleef voor de Amerikaanse pers niet onopgemerkt. Men sprak daar zelfs van een verborgen linkse agenda, bedoeld om verwarring te zaaien en de kunstmarkt kapot te maken (“a show intent on destabilizing stardom,’ schreef de Wall Street Journal).
De kunstmarkt hecht bovenal waarde aan het prijskaartje. Waar het werk precies over gaat is minder relevant, aangezien het meestal toch maar gebruikt wordt om de woonst van een rijke verzamelaar op te smukken of erger nog, voor jaren verstopt te blijven in een kluis. Het is evident dat de artistieke betekenis van het werk hierdoor tot vrijwel nul wordt gereduceerd. Als Buergel-Noack één punt duidelijk hebben gemaakt, dan wel dat een Documenta geen Art Basel is, dat glamour en glitter er niet gewenst zijn, dat prijskaartjes maar prijskaartjes zijn en dat het hen totaal niet interesseert waar de markt zich momenteel bevindt of mee bezig is. In hoeverre hun superieure distantie slechts een pose is, valt nog te bekijken. Uiteindelijk is er immers voor elk kunstwerk een markt, en een grootschalig evenement als de Documenta is in staat op de kunstmarkt een verschuiving teweeg te brengen.

De meest aanwezige kunstenaars
Buergel en zijn vrouw hebben ervoor gekozen het werk van sommige kunstenaars te spreiden over verschillende locaties. De bezoeker wordt bij zijn rondgang dus herhaaldelijk aan deze kunstenaars herinnerd, en krijgt onwillekeurig het gevoel dat zij de Documenta domineren. Als ik niemand over het hoofd zie is dat het geval met John McCracken, Juan Davila, Kerry James Marshall, Zoe Leonard, Lee Lozano, Gerwald Rockenschaub en Graciela Carnevale.


John McCracken verwierf naam in de jaren 1960 met zijn minimalistische en monochrome Planks (perfect gladgepolijst triplex), die hij quasi achteloos schuin tegen de wand plaatste. Met zulke werken is hij op de Documenta vertegenwoordigd, maar ook met een onbekend gebleven reeks vierkante doekjes met kleurige mandala-motieven, die hij in de jaren 1970 schilderde. Gaat het hier om thesis en antithesis, of is het in wezen eenzelfde mystieke inhoud die twee verschillende gestalten gekregen heeft? 

 
Gerwald Rockenschaub zou je eveneens een minimalist kunnen noemen, maar dan altijd nét wat onzuiver, altijd opzettelijk over de rand. Soms voegt hij iets kitscherigs toe, dan weer is zijn vorm op zich onmogelijk ernstig te nemen. Hij lijkt dus het minimalisme scheef te trekken en te  ironiseren. Het is op zich een interessante ervaring, hem samen met McCracken in eenzelfde tentoonstelling aan te treffen. Hun werken hebben meerdere raakpunten, maar glijden ook subtiel langs elkaar heen.


Kerry James Marshall is een zwarte Amerikaan die in zijn half naïeve, half sarcastische werk de leefwijze van de Amerikaanse zwarten in beeld brengt. Zijn aandacht gaat daarbij ook naar het Civil Rights Movement en de aanpassing die daaruit voortvloeide. Zijn werk is echter al veel langer bekend en werd  overigens ook op de Documenta 10 gepresenteerd.

 
Juan Davila is Chileen die in Australië woont en duistere, psychotische doeken schildert met flink wat stijlelementen van Julian Schnabel en Frida Kahlo, Picabia, Sandro Chia en Francesco Clemente, Jonathan Lasker en anderen. Ook inhoudelijk is zijn werk een absurd overladen mix van elementen uit de reli-kitsch, het traditionele homo-erotische en sadistische repertoire, de Zuid-Amerikaanse folklore en indianenverhalen. Hij doet wat hij kan om te provoceren, maar je kunt hem nog moeilijk ernstig nemen omdat het compleet overdone is. Het lijkt of hij dit ook ten volle beseft, en ons spottend toevoegt: “Kijk maar, wat wij ook doen, wij kunnen niet provoceren! Het futloze, machteloze postmodernisme maakt  alles onmogelijk!”


Lee Lozano schilderde koele minimalistische doeken die dicht bij de op-art staan, maar maakte ook figuratief werk met een opzichtig homo-erotische symboliek. Als je ’t niet wist zou je nooit denken dat deze werken van dezelfde kunstenaar zijn (cfr. McCracken). In 1971, zij was toen 41 jaar, hield zij op met kunst maken en besloot zij niet meer met vrouwen te praten, wat zij volhield tot haar dood in 1999. Een bizarre vrouw, tegelijk outsider en  tweederangsfiguur – al wordt haar werk vertegenwoordigd door Hauser & Wirth in Zürich.


Zoe Leonard was ook al op de Documenta van Jan Hoet te zien, in 1992. Zij had toen kleine zwartwitfoto’s van de vagina’s van haar vriendinnen, die ze had opgehangen in een klassieke schilderijengalerij, in afwisseling met 19de eeuwse landschappen en stillevens. Vijftien jaar later brengt ze opnieuw fotografie, ditmaal van armoedige en chaotische winkeluitstallingen in New York, Cuba, Afrika, Oost-Europa en overal. Stuk voor stuk mooie en interessante foto’s, maar zeker niet uniek. Binnen het kader van deze Documenta waren de foto’s van Ria Pacquée beslist een betere keus geweest.


De Argentijnse Graciela Carnevale sloot in 1968 de bezoekers van een vernissage op in de galerie, gewoon om te zien hoe ze eruit zouden raken. Foto’s van deze happening zijn her en der over de Documenta verspreid. Na enig geknoei werden ze uiteindelijk bevrijd door iemand buiten de galerie, die een glazen deur stuksloeg. De bezoekers, in de ban van de kunst, raakten er letterlijk door opgeslokt en werden als gevangenen. De liefhebber van Luis Bunuel zal hier met genoegen terugdenken aan de film ‘El Angel Exterminador’, waarin een bourgeoisgezelschap na een liedrecital in een voornaam herenhuis niet meer buitenraakt en dagen na elkaar in dezelfde kamers moet overnachten, waarbij ze uiteraard vervuilen, hun goede manieren verliezen, etc.

Het zuiden, het oosten, het noorden
Net als in de vorige Documenta treffen we hier opvallend veel kunstenaars aan uit wat vroeger de ‘Derde Wereld’ heette. Kunstenaars uit Zuid-Amerika, Afrika, Indië, de Arabische wereld en China domineren ook nu weer het hele gebeuren. Om de wereld rond te maken is er zelfs een Inuït bij, nl. Annie Pootoogook, die dicht tegen de Noordpool woont. Al deze kunstenaars vertonen zowel moderne als postmoderne trekjes, maar toch heb je meestal niet de indruk dat zij westerse tendensen achternalopen. Hun ‘hedendaagse kunst’ is niet semi of simili, maar lijkt op spontane wijze te zijn ontstaan, meer vanuit een intercultureel gevoel dan vanuit de drang om in het westen geaccepteerd te worden.
De vormen van de kunst duiken op verschillende momenten in verschillende culturen op en daarom kunnen, aldus Buergel, de meest uiteenlopende kunstwerken uit andere tijden en windstreken door elkaar heen worden getoond. De criteria en canons van de hedendaagse westerse kunst worden terzijde geschoven, waardoor alles kan, alles mag en alles even veel (of even weinig) waard wordt. Buergel en Noack hebben een situatie gecreëerd waarin de kijker elk vooroordeel moet afleggen en bij ieder werk zelf moet bepalen waarom hij ‘t waardevol vindt of niet.

Het kader van de Documenta
Het Aue-paviljoen, ontworpen door het Parijse duo Lacaton & Vassal, wordt algemeen een ramp genoemd. Het is een constructie van staal en glas die doet denken aan een feesttent bij een rommelmarkt. Je zou er evengoed een fruitveiling kunnen houden, of landbouwmachines exposeren. Een Guillaume Bijl zou het niet kunnen verbeteren.
De eensluidende kritiek van de pers is dat in dit paviljoen geen enkel kunstwerk tot zijn recht komt. Men gaat er dus van uit dat het kunstwerk pas ten volle naar waarde kan worden geschat als het gepresenteerd wordt in een speciaal aangepast kader. Het is de taak van de tentoonstellingsmaker, die ontvankelijke omgeving te creëren. Liefst zal die omgeving zelf óók een kunstwerk zijn, zoals de musea van Hans Hollein, Frank Gehry of Aldo Rosso.

 

Aue paviljoen van Lacaton & Vassal 


Maar ook op dit vlak gingen Buergel en Noack koppig tegen de trend in. Zij stelden zelfs  expliciet dat zij met het Aue-paviljoen het sobere en neutrale white cube-model wilden ondergraven. Weliswaar worden tegendraadsheid en sabotage in de kunstwereld doorgaans gunstig onthaald, maar het alternatief waarmee Lacaton & Vassal kwamen aandragen lijkt toch niemand te voldoen.
Ook in het Fridericianum en de Neue Galerie namen ze nadrukkelijk afstand van de modernistische standaard, door alle wanden te laten herschilderen in de typische tinten van de 19de eeuwse beaux-arts musea (zalmrood, pistachegroen, lila). Op de vloer tapijten in aangepaste kleuren, en voor alle ramen gordijnen. Het ziet er heel bourgeois uit. Deze aanpassingen hebben uiteraard een flinke hap uit het budget gekost – een kapitaal dat volgens critici beter voor iets anders was gebruikt.

Bij Buergel op de schoolbanken
Deze Documenta integreert voor het eerst ook kunst van vroeger: Indische en Perzische miniaturen, Chinees lakwerk en oosterse tapijten. Er hangt zelfs een werk van Paul Klee. Maar je komt nu eenmaal niet naar een Documenta om kunstwerken te zien uit voorbije eeuwen. Ook mag je er van uitgaan dat de doorsnee Documentabezoeker wel eens in het Louvre of ’t British Museum is binnengewandeld. Buergel-Noack worden hier echt wel belerend, pedant zelfs, en trappen open deuren in. "Oudere kunst is soms oneindig keer meer actueel dan hetgeen vandaag in ateliers wordt gemaakt," stelden ze. Het zal wel. Allen naar het Parthenon! En ja, de meeste van deze wat overbodige kunstwerken zitten in het Schloss Wilhelmshöhe, dat vooral bekend staat om zijn Antikensammlung.
Vanop Wilhelmshöhe heb je een prachtig uitzicht over de stad, en tegen de helling tref je ook een rijstveld aan, aangelegd door een Thais kunstenaar. Maar rijst groeit er niet, en de betekenis van deze ongetwijfeld erg dure ingreep blijft steken in eerder genante clichés.
Veel beter geslaagd is dan het grote plein voor het Fridericianum, dat werd volgeplant met rode papavers, een prachtig effect. Maar ook hier is de symboliek nogal drukkend. Het betreft hier een werk van Sanja Ivekovic, die niet nalaat erop te wijzen dat op deze plek in 1933 boeken verbrand werden, dat Joseph Beuys er de eerste van zijn 8.000 eikenbomen plantte, en dat in Afghanistan de papaverteelt momenteel een ongekende bloei kent. Tweemaal per dag laat zij uit luidsprekers strijdvaardige liederen schallen van Afghaanse vrouwen die zich verzetten tegen het fundamentalisme. Dan heb je het wel gehad.

 


 
Sanja Ivecovic, papaverveld, 2007

 

Vrij veel werken in deze Documenta ontgoochelen door hun voorspelbaarheid, hun eenduidigheid, hun platvloersheid. Zo bijvoorbeeld Inigo Manglano-Ovalle’s replica van een mobiel laboratorium voor biologische oorlogsvoering, door de Amerikanen gebruikt in Irak, of de boot van Romuald Hazoumé uit Benin, helemaal gemaakt van jerry-cans "als teken van rouw voor alle gezinnen uit Afrika die niet weten waar de lichamen zijn van hun zonen die in bootjes illegaal naar Europa vertrokken." Diezelfde Hazoumé maakte echter ook een reeks zeer geslaagde Afro-maskers, gemaakt van alledaagse dingen als een plastic gietertje of een waterketel.

 

    
     

Romuald Hazoumé


Andere werken hebben iets van outsider art, zoals de verzameling bloeddruppels van dichters, bijeengebracht door Eleanor Antin, of de borduursels van Hu Xiaoyuan, gemaakt van eigen haar, of het werk van fotografe Jo Spence (1934-92) die haar vergeefse strijd tegen borstkanker documenteerde.
Je ziet ook veel politiek geladen kunst, meestal in de vorm van documenterende foto’s, knipsels en getypte teksten. Zo bijvoorbeeld de masturbatieperformance van Sanja Ivekovic in het Joegoslavië van Tito, de tegendraadse publieke gedragingen van Jiri Kovanda in het communistische Praag, of de acties van Graciela Carnevale en de activistische Grupo de Artistas de Vanguardia waar zij deel van uitmaakte.
Zeer boeiend en gedurfd is de video uit 1995 van de Chinees Lin Yilin, die we een brede en erg drukke straat zien oversteken met een muurtje van snelbouwstenen, dat hij onverstoorbaar steen per steen verplaatst, terwijl auto’s, bussen en vrachtwagens hem met moeite ontwijken. Heel bijzonder zijn ook de kleine tanks van Zeng Guogu, gemaakt van deeg en gebakken stront.

 

   

    
Lin Yilin, 1995                                   Zeng Guogu, 2005

 

De meest aanwezige kunstenaar is echter Ai WeiWei, die in China grote bekendheid geniet maar in het westen nog weinig is doorgedrongen. Wei Wei bracht vanuit China 1001 antieke stoelen uit de Qing dynastie over, allemaal afkomstig uit zijn eigen collectie. En op een grasveld bij het Aue-paviljoen bouwde hij een cilindervormige toren van oude Chinese deurtjes. Die toren bleef helaas maar vier dagen overeind – een forse windstoot deed hem in elkaar klappen.

 

     
    
Ai Wei Wei, stoelen en toren   

 

Nog een ander werk van Wei Wei heet ‘Fairytale’ en bestaat in het overbrengen van 1001 landgenoten naar Kassel, als symbool van de globalisering. De bedoeling is dat al die Chinezen 100 dagen lang rondlopen in de tentoonstelling, een praatje maken met bezoekers, de kunstwerken bekijken en foto's maken. Maar temidden van deze drukbezochte manifestatie vielen zij nauwelijks op – gesteld dat ze er werkelijk elke dag present waren.
Er waren duidelijk veel te weinig Chinezen op de Documenta.


 

Paul Ilegems
15.09.2007



top | 12 05 2008 02:05
print