portaal
agenda
artikels
KuDa
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact




nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Een gesprek met Leo Copers
door Susan Montsaert

Mijn interesse voor het werk van Leo Copers is begonnen in de lessen kunstgeschiedenis van vorig academiejaar, dat was tevens mijn eerste contact met zijn werk. Het bezoek aan de tentoonstelling van zijn werk samen met dat van Jaques Charlier in het Smak vorig jaar wakkerde mijn interesse verder aan.
Leo Copers creëert een spanning die mij fascineert. Het is alsof er een continue kans op gevaar is. Hij bouwt deze spanning op d.m.v. materiaalkeuze of door gebruik van bepaalde voorwerpen met een hoge symboolwaarde. Hij maakt bijvoorbeeld klokken in kristal. Wanneer deze in werking zouden treden zouden de klokken natuurlijk breken. Of hij hangt een mes op boven een houten blok. Je mag je hand op de blok leggen, misschien valt het mes? In een ander werk maakt hij gebruik van de dubbele symboliek van de swastika. Hij schildert deze in een omgeving met regenboogkleuren terwijl wij dit meestal associeèren met het hitlerregime. Hij wil dit symbool zijn oorspronkelijke betekenis terug geven, wat staat voor geluk in het leven, maar wel goed beseffend wat het in de meeste gevallen onmiddellijk oproept.

Het contact leggen verliep vrij vlot. Een week nadat ik gebeld had hadden we al afgesproken. Veel tijd om voor te bereiden had ik niet meer. Ik probeerde toch nog even in de bibliotheek te geraken om wat bijkomende informatie op te zoeken, wat leidde tot een grappige ontmoeting. Ik kwam toevallig in contact met iemand die beweerde dat hij Leo Copers goed kende. Hij vertelde mij een beetje vanalles over het leven en het werk van Leo Copers. Het kwam geloofwaardig over. Later tijdens het interview wilde ik een vraag koppelen aan een anekdote uit dat gesprek en verwees dus naar die persoon... Leo Copers kende deze persoon helemaal niet. Dat was wel grappig...
Ik was een uur te vroeg maar dat deerde niet. Leo Copers bood mij iets aan om te drinken en vroeg of ik een stukje zelfgemaakte broodpudding wilde. Op het einde van de ontmoeting vertelde hij dat hij deze gemaakt had omdat hij ervan uitging dat studenten niet veel geld hebben om te eten...
Het interview nam plaats in één van zijn livings. Hij heeft een heel groot huis, met lange oprit, een grote vijver in de tuin en ook een groot atelier.
Het interview verliep naar mijn mening nogal stroef. Het was mijn eerste interview, dus voelde ik mij een beetje zenuwachtig en dat gevoel is eigenlijk niet weggegaan. Leo Copers heeft eigenlijk nooit echt het woord genomen zonder dat ik een vraag stelde. Het gesprek is nooit losgekomen van het vraag- en antwoordpatroon, wat ik eigenlijk wel spijtig vond.

Pas na het intervieuw zijn we naar zijn atelier gegaan. Daar staan al zijn werken in dozen opeengestapeld. Op zijn bureau liggen enkele schetsen van nieuwe ideeën zoals een muur van goudstaven. Zijn werken lijken heel clean maar als ik de vraag stel of deze zeer precies uitgevoerd moeten worden zegt hij dat hij houdt van onvoorzienigheden. Hiermee verwijst hij naar het grote schilderspalet waar hij gedeeltelijk zelf aan gewerkt heeft en waar enkele foutjes inzitten die hij juist fascinerend vindt.

Waarom hebt u gekozen voor opleiding als kunstenaar?
Dat was voor de hand liggend: omdat ik als kind altijd de beste was in de klas voor tekenen.

Wat vond je van jouw opleiding?
Ik vond dat formidabel. Het is moeilijk om te vergelijken met andere opleidingen, maar ik heb mij daar heel goed geamuseerd.

Hoe is je werk veranderd als je dat vergelijkt met de dingen die je maakte in je studententijd?
In het begin schilderde ik, daarna is er vanalles bijgekomen. Misschien dat ik terug begin te schilderen op mijn oude dag. Maar ik was reeds heel vroeg actief. Met een paar vrienden hield ik tentoonstellingen. Ik vind dat ik weinig opleiding gekregen heb. Er was een ruimte waar we konden werken en we luisterden nauwelijks naar wat onze leraars zegden

Hadden jullie geen vaste opdrachten zoals modeltekenen?
Dat moesten we doen, we hadden modeltekenen en anatomietekenen maar dat stak snel tegen. Als je tien keer een model getekend hebt en je kan wat tekenen dan kan je het uitje hoofd tekenen bij wijze van spreken. Op den duur tekenden we die modellen met onze ogen dicht. Nu kan ik dat niet meer. Als we opdrachten kregen dan maakten we die toch niet. Sommige mensen gaven opdrachten maar daar lachten we mee.

Kreeg je daar dan geen kritiek op?
Nee uiteindelijk is die docent weggegaan. We hadden een zeer tolerante leraar, Gaspaar de Vuyst, die daar wel kon inkomen. Die was tevreden als we werkten. Voor sommigen studenten was het wel nodig opdrachten te krijgen maar voor mij was dat alleszins niet nodig.

Je spreekt over je studententijd altijd in de vorm van "wij". Wie waren die "wij"?
Sommige mensen waren al afgestudeerd, anderen hadden geen opleiding gevolgd, het was een kern van drie mensen waar nog een paar andere mensen rond cirkelden. Wij heetten onszelf 'de nieuwe rococo'.

Met wie werkte je toen samen?
Met Walter van Houcke, Franck Van Den Berghe, Andree Naessens. Dit waren mijn vrienden.

Hebt u er bewust voor gekozen om dan individueel te werken?
Ja, omdat de manier van werken en/of de interesses na een jaar al zodanig uit elkaar lagen dat dat niet meer ging. We waren meer een bende nozems, maar we werkten wel heel hard.

Wat vindt u nu van een school zoals de Academie van Antwerpen, waar nog enorm veel belang wordt gehecht aan modeltekenen en modelboetseren?
Ik heb daar geen probleem mee, maar ik weet niet hoe ik zou reageren als ik er zelf zou inzitten. Ik ben gastdocent in Sint- Lucas in Gent en die studenten hebben ook nog modeltekenen en zo maar in het atelier is daar weinig van te zien. Iedereen moet voor zichzelf uitmaken wat hij/zij belangrijk vindt en dat zoveel mogelijk proberen uitwerken.

U hebt vroeg succes gekend.
Ik had in ieder geval toch wat succes. Na mijn studies had ik onmiddellijk een vrij goeie galerie, "Pluskern" in Gent, maar dat succes was geen financieel succes, het was heel zeldzaam dat ik iets vekocht.

Hoe kwam u in contact met die gallerijen?
Die hebben mij ontdekt of ik kende die al min of meer. Op het einde van mijn studies hielden wij een eindejaarstentoonstelling en die gallerijhouders lopen daar ook rond, die zien uw werk en zo gaat de bal aan het rollen.

Hebt u bewust gekozen om in die "succes" richting verder te gaan?
Daar heb ik nooit aan gedacht. Ik heb gedaan wat ik dacht dat ik moest doen.

Zoekt u nu nog echt contact op met jonge kunstenaars?
Nee, dat gaat vanzelf. Ik ga wel naar openingen en daar ontmoet ik nieuwe mensen. Dat gebeurt spontaan.

Wat vind je van de "kunstwereld"?
Indien je mij zou vragen wat ik van de advocatenwereld vind dan zou ik daar ook niet op kunnen antwoorden.

Maar u zit daar toch middenin...
Ja ik zit daar in (lacht)

Was het vroeger gemakkelijker om daar in toe te treden als je dat vergelijkt met nu?
Dat is ook moeilijk te vergelijken, je gaat gewoon naar openingen en het is zover. Ik ben niet zo extravert, andere mensen zijn veel extraverter. Ik zit te wachten. Ik ben nog nooit naar een gallerij toegestapt om mijzelf en mijn werk voor te stellen.

Wat zijn uw inspiratiebronnen? Bepaalde boeken, toneelstukken,...?
Ik heb heel weinig inspiratie om eerlijk te zijn. Ik haal die niet bewust, het is eerder een bepaald ogenblik, het kan op veel manieren gebeuren, soms is dat plotseling iets dat opdoemt, soms is dat een idee waar ik onmiddellijk mee aan de slag kan. Soms is dat nu niet echt zo interessant, maar blijft dat slomeren, en meestal evolueert dat in mijn geest. Ik maak dus geen 27 schetsontwerpen, nee het zit in mijn hersenen.

Je werk is toch ergens op gebaseerd, bijvoorbeeld het dagelijkse leven?
Het zijn dingen die van overal komen, die uitrdukking "uit het dagelijkse leven" is eigenlijk niet slecht. Dat gaat over alle dingen he: eten, slapen, oorlog. Mijn werken komen bijna organisch tot stand. Het is geen bewuste keuze. Achteraf zie ik wat ik gedaan heb. Nu zijn de dingen geëvolueerd. Gedeeltelijk bewust en gedeeltellijk onbewust. In mijn werken komen vaak bloemen voor en messen, "dat is keukenmeidenromantiek he". Het wordt pas interessant als je al die elementen zodanig met elkaar gaat verbinden dat die zaken op een andere manier gaan functioneren. Zoals de ene schrijver een liefdesverhaal gebruikt om een stationsromannetje van te schrijven daar maakt de andere een meesterwerk van.

Maak je bewust gebruik van dat soort van succesformules?
Juist het resultaat van die denkwijze gebruik ik om weer op een hoger nieveau te geraken. Bijvoorbeeld kitsch, dat is een afkooksel van de echte dingen, maar als je die gaat recupereren kan je daar iets goed van maken.

Wat vind je van kunstenaars als Wim Delvoye en Jeff Koons?
Als het interessant werk is heb ik daar geen probleem mee. Er zijn nu eenmaal verschillende soorten kunstenaars, sommige werken in eenzaamheid, bijvoorbeeld Vincent Van Gogh, en anderen zijn echte managers.

Van Gogh verkocht dan ook tijdens zijn leven zeer weinig werken..
Had hij zich niet van kant gemaakt dan zou het een paar jaar later misschien wel gelukt zijn?

In interviews wordt u veel vergeleken met Magritte, wat vindt u daar zelf van?
Ik vind Magritte wel een heel belangrijke kunstenaar en ik kan ook niet ontkennen dat hij een zekere invloed heeft op mij, maar "om mij daar nu mee dood te slaan".... Het gebeurt ook dikwijls dat mensen bepaalde artikels moeten schrijven die af moeten zijn voor een bepaalde datum en tegelijk daar niet zo intelligent mee bezig zijn, de gewone pers bijvoorbeeld. Bruce Nauman is misschien nog belangrijker geweest voor mijn werk. Iedereen heeft zijn invloeden.

Welke informatiebronnen over kunst vind je wel goed?
Een beetje vanalles, de typische kunsttijdschriften enzo.

Lees je die veel?
Niet overdreven. In de kunstwereld heb je verschillende werelden, de kunstenaars met daarrond een hele zwerm van allerlei niveau's die de zaken die de kunstenaar doet bespreken en analyseren. Die bijna parasitaire cirkel rond die kunstproductie moet natuurlijk ook zichzelf een zeker belang toeëigenen waardoor ze oordelen gaan vellen of theoriën gaan ontwikkelen over de kunstproductie die feitelijk meer belangrijk zijn voor hen dan voor de kunstproductie zelf. De tijd zal wel uitwijzen of ze gelijk hadden of niet. Vroeger was er er meer een soort bendevorming tussen de kunstenaars zelf, denk maar aan de surrealisten, de dadaïsten en de schrijvers die daarrond hingen - Breton was ook een kunstcriticus bijvoorbeeld. Dat waren geen echte kunstgeleerden. Nu zijn er heel veel mensen die daar speciaal voor gaan studeren. Die moeten ook hun boterham verdienen.

Leest u die artikels die men over u schrijft of interesseert u dat niet?
Artikels over mijzelf lees ik altijd (lacht). Ik ben soms wel eens tevreden.

Over uw werk wordt geschreven dat het poëtisch is. Wat vindt u daar zelf van?
Dat is "dooddoenerij". Als ze een bloem zien in een werk is het 'poëtisch'. Ik wil met mijn werk sterke beelden maken, een beeld dat onmiddellijk aanspreekt, maar dat ook de gedachten in gang kan zetten. Ik wil niet dat het nodig is datje heel de kunstgeschiedenis of de hele filosofie moet kennen om mijn werk te begrijpen. Het moet even interessant blijven voor een analfabeet als voor een filosoof.

Sommige van uw werken zijn toch niet direct toegankelijk en begrijpbaar, bijvoorbeeld de karaffen ?
Dat is niet moeilijk om te weten te komen, dat staat er niet op want anders wordt dat te didactisch, maar als je goed naar die dingen kijkt dan zie je onmiddellijk dat daar iets raars aan zit, dat daar iets niet klopt. Beeldende kunst is gemaakt om te bekijken, als je dat niet bekijkt dan weetje niet hoe het in mekaar zit. Een boek is gemaakt om te lezen, als je het niet leest kan je ook niet weten wat erin staat. Sommige mensen lopen door een museum gelijk dat sommige mensen een boek kopen en hem nooit open doen.

Hoe wil je dat je werk geïnterpreteerd wordt?
Liefst zoveel mogelijk verschillende interpretaties. En ook dat het blijft werken, dat het kan blijven geïnter-preteerd worden.

Ik heb uw tentooonstelling in het Smak met Jacques Charlier gezien vorig jaar. Daar hingen gouden kadertjes en witte handschoentjes ernaast. Een geluk dat die rondleiding gebeurde door Jan Hoet of ik had niet geweten dat je die kadertjes moest verwijderen met die handschoenen om daaronder de rozen te zien.
Het is aan de bewakers om de bezoeker daar op te wijzen. Ik hou er niet van om een brief met uitleg op te hangen. Witte handschoenen worden gebruikt voor iets dat niet mag geschonden worden, dus dat is feitelijk al een tip. Natuurlijk behoort het niet tot de normale manier van handelen, in het museum moet men normaal gezien overal afblijven. Het is ook wel merkwaardig dat wanneer het toegestaan is om ergens aan te komen, mensen dat juist dan niet doen (lacht). De menselijke gedragingen zijn soms heel raar.

Wat betekent die gouden tafel voor u?
De basis van dit werk ligt in 1980. Ik had toen een schets gemaakt van een Louis XV-tafel die een beetje mislukt was. De ene poot was wat te dik te andere te kort. Ik vond dat interessant, het leek wel een spin. Het heeft wel een aantal jaren geduurd voor ik de eerste spintafel heb kunnen maken. Ik moest iemand vinden die het voor mij kon uitvoeren. De titel en het voorwerp komen eigenlijk niet overeen, want een tafel heeft vier poten terwijl een spin er acht heeft. Dan heb ik een tweede versie gemaakt, midden van de jaren negentig, waarvan de acht poten verschillend zijn.

Waarom hebt u ze verschillend gemaakt?
Op mijn tekenig waren ze ook allemaal verschillend (lacht). Ik zou verschillende bestaande tafeltjes kunnen verzaagd hebben en die op een andere manier in elkaar gestoken hebben, maar dan zou het een soort 'wilde design' zijn, ook een gebruiksvoorwerp en dat wou ik niet.
Ik heb het formaat vergroot, wat een klassieke kunstenaarstruc is natuurlijk, want dan wordt het belangrijker en ziet het er imposanter uit. Het licht onder de tafel balanceert zodat het de indruk geeft tot leven te komen en daardoor er een dreiging vanuit gaat. Het vergulden heb ik zelf gedaan. Tijdens dit proces heb ik dikwijls moeten denken aan een schilderij van Jean Delville (een surrrealistisch schilder): 'Satan in de hel'. Ik vind dit een heel interessante visie op de hel omdat hij deze helemaal met rood en geel (goud) schilderde en tevens was het onderwater, in de zee. De vormen van de tafel deden mij denken aan de Lucifer, die voorgesteld wordt als een zeer mooie jonge man.

Je werkt veel met goud in uw werken. Heeft uw fascinatie voor goud iets te maken met Yves Klein?
Ik vind Yves Klein een fantastisch kunstenaar maar ik ben niet via hem met goud beginnen werken, eerder door de Arte Povera. Zij werken met povere materialen, het woord zegt het zelf. Met goud kun je een pover materiaal omvormen tot iets rijkelijks. In alle beschavingen, kunst door de eeuwen heen, wordt goud veel gebruikt en ik heb dat gewoon overgenomen.
Een stok met bladgoud belegd is net een gouden stok. Er zit daar iets dubbelzinnig in, het is bedrieglijk. Het was meer vanuit die interesse dat ik dat goud ben beginnen gebruiken. Mijn eerste werk met goud was een paar gouden handboeien. Deze werden op maat gemaakt. De eerste uitvoering was verguld koper maar daarna wilde een verzamelaar dat ik ze voor hem en zijn vrouw in massief goud liet uitvoeren.
Goud staat voor rijkdom, maar is dat goud nu echt zo waardevol? Vandaar dat ik daarna een werk gemaakt heb met (valse) goudstaven die opgestapeld liggen in een hoek alsof iemand de vuilnisbakken is vergeten buiten te zetten. Ik ben dus eerder gefascineerd door de reacties op het goud, hoe men naar goud kan kijken en de vraag waarom goud zo kostbaar is. Dat is ook een waarde toekennen. Binnenkort ontdekt men misschien een planeet die helemaal van goud is, daardoor zal de goudprijs enorm dalen en dan hebben we ineens veel te veel goud.

Je werkt ook met je eigen bloed. Is het belangrijk dat het jouw bloed is?
In sommige werken wel, ik heb bijvoorbeeld een vlag gemaakt met mijn eigen bloed, zoals sommige mensen hun bloed geven voor hun vaderland zo heb ik mijn bloed gegeven voor de kunst. Enerzijds ernstig en anderzijds een parodie. Ik heb ook een tekst geschreven met een gouden pen op perkament, zonder betekenis. Ik heb ook ooit mijn handtekening gezet met mijn eigen bloed en ingelijst. Dat was een hele tekst. Je kunt het ook zien als een soort contract, als de duivel van de kunst.

Je werkt met assistenten.
Ik vind het echt niet belangrijk dat ik die dingen zelf maak. Hoe die gemaakt worden dat is van secundair belang.

Kunstenaars als Rik Poot kunnen zich daar wel kwaad om maken.
Dat is goed voor hem. Hij moet mij niet komen vertellen hoe ik mijn dingen moet maken. Hij maakt de dingen zoals hij wil. Rik Poot is "ne kwaaie mens" (lacht). Ik begrijp het echt niet goed hoor. Hij moet dan ook bijzonder kwaad zijn op de oude kunstenaars zoals Van Eyck en Rubens. Zij werkten allebei met een groot atelier.
Die mens ligt in de knoop tussen kunstenaarsschap en vakmansschap. Bij hem liggen die twee samen. Er zijn veel soorten kunst en dat kan op veel verschillende manieren gemaakt worden, maar het is natuurlijk nogal stom om daarom kwaad te zijn op anderen die zo niet werken.

Is uw werk ook gebaseerd op sprookjes?
Mijn allereerste werken waren onder de invloed van sprookjes en de Arte Povera. Ik heb snel gemerkt dat het gebruik van bepaalde materialen nogal snel geïnterpreteerd worden, bijvoorbeeld bij het combineren van electriciteit en water werd ik plots een alchimist genoemd. Ik had in de verste verte niet aan de alchimie gedacht. Ik heb mij daarop ook niet geïnspireerd. Wat mij interesseerde was eerder het samenbrengen van die uiterste materialen, die normaal een heel gevaarlijke situatie creëren die nu toch konden functioneren samen. Dat wou ik tot stand brengen en dat lukte., en voor mij was de kous toen af. Ik ben gestopt met zulke dingen te maken omdat mensen te veel verbanden zoeken : als ik een werk maak met glas en takken of met bloemen, dan werk ik zogezegd rond ecologie. Een werk komt tot bij mij tot stand door wat ik meemaak in mijn leven. Die vergelijking met alchemie is gemakkelijk. Dat zijn "dooddoeners".

Met welk werk zou je willen geassocieerd worden, bijvoorbeeld Rodin wordt met 'de Denker' geassocieerd.
Misschien met de Vrijwillige Individuele Publieke Automatische Gevangenis, afgekort de VIPAG. Dit is een recent werk. Je steekt er een euro in. Je volgt de instructies. De deur gaat open, je gaat binnen, de deur gaat dicht en dan zit je voor vijf minuten opgesloten. Na die vijf minuten zegt er een stem "uw tijd is om, gelieve de VIPAG te verlaten". Bij laattijdig verlaten moet je terug één euro in steken en dan moet je opnieuw wachten. Er zijn ook bewakingscamera's voorzien die aangesloten zijn op het internet. Het is bedoeling dat mensen thuis vanop hun computer kunnen kijken of er iemand in het gevang zit. De Vipag moet op een plaats staan waar veel mensen passeren. Als men in de Vipag zit beken je aan iedereen openlijk je schuld want iedereen ziet je zitten. Het gebeurt niet in het geheim want dat heeft toch geen zin.


Paul Ilegems in de VIPAG van Leo Copers, Maastricht 2008

Susan Montsaert
01.03.2004



top | 16 03 2010 16:24
print