|
Wat doe je als toerist in Brugge? Je wandelt met de stroom mee naar de Grote Markt. Daar kom je dan voor het belfort staan, een vrij imposant gebouw van 82 tot 88 m hoog (de ramingen verschillen) dat volgens betrouwbare bronnen uit de middeleeuwen stamt. De vermaarde Halletoren van boven naar beneden beschouwend, ontwaar je aan beide zijden van de ingang een groen frietkot, waaruit smakelijke dampen u verlokkend toewaaien. Zul je dan maar de toren binnengaan, om daar de 366 treden te beklimmen die naar het bovenste platform leiden, ruim 80 m boven straatniveau? Of ga je voor de goede moed eerst een portie friet nuttigen, waarna de beklimming misschien nog zwaarder uitvalt? De wakkere toerist doet geen van beide, en stapt resoluut weg van het belfort, om aan de overzijde van het marktplein de Vlamingstraat in te wandelen. Daar treft hij op nr 33, vlakbij boekhandel De Slegte, het Frietmuseum aan, dat zich geïnstalleerd heeft in de 14de eeuwse Saaihalle. Voor de Nederlandse lezer weze hier opgemerkt dat die halle veel minder saai is dan de naam doet vermoeden. Saai is doodgewoon wol, zoals elke Vlaming weet. De Saaihalle was in de 17de eeuw de werkplaats van de wolwevers, en voordien zelfs nog iets heel anders, namelijk het handelsfiliaal van Genua. Het is één van de oudste gebouwen van Brugge.
 De Saaihalle als Café Rosimont in 1876, vandaag het Frietmuseum
Maar in de 19de eeuw was blijkbaar veel van de oude glorie verloren gegaan, want op bovenstaande foto uit 1876 is de Saaihalle gewoon een herberg. Zoals op de gevel te lezen staat bood het ‘Café Rosimont’ ook logies en maaltijden. Je kon er behalve vis ook ‘Beafsteaks (sic) à toute heure’ nuttigen. En wat zou men bij die steaks dan wel hebben geserveerd? Frieten, allicht – wat anders? We kunnen dus alleen maar concluderen dat de eerbiedwaardige Saaihalle eind 19de eeuw verworden was tot een veredelde frituur.
Maar weer eens honderd jaar later ging het met de Saaihalle opnieuw in stijgende lijn. De economie bloeide als nooit tevoren, en het gebouw ging een nieuw leven leiden als bankfiliaal. Maar ook banken kunnen verdwijnen, en soms sneller dan men er weet van heeft. En zo kreeg de Saaihalle uiteindelijk zijn meest originele functie ooit: als museum van de friet.
Het Brugse Frietmuseum Het Frietmuseum in Brugge, opengesteld in mei 2008, is een initiatief van ondernemer en verzamelaar Eddy Van Belle en zijn zoon Cedric, die eerder al in dezelfde stad het museum ‘Choco-Story’ openden, gewijd aan de geschiedenis van de chocolade. Nu staan friet en chocolade allebei bekend als bij uitstek Belgische producten, doch met als opvallend verschil dat de Belgische chocolade sinds jaar en dag wereldwijd wordt gepromoot, terwijl de friet nooit enige erkenning mocht genieten.
Van aardappel tot friet De collectie van het Frietmuseum besteedt veel aandacht aan de geschiedenis van de aardappel, de bescheiden patat die vandaag in zovele landen de basis vormt van het alledaagse voedsel. Maar dat is ooit anders geweest. Toen de aardappel rond 1550 in Spanje arriveerde, werd hij alleen gezien als een botanische curiositeit. Plantkundigen als Gerard Bauhin en Carolus Clusius beschreven zijn blaren, knollen en bloem, en daar bleef het bij. Alleen de Heilige Teresa ging een stap verder: zij legde in haar klooster in Sevilla een aardappelveld aan en volgens de overlevering at zij dagelijks een portie. De oogst van haar klooster leverde zij aan het vlakbij gelegen Hospital de la Sangre, waar men er de zieken mee behandelde, want de aardappel gold aanvankelijk als medicijn. De rekeningen van het Hospital vermelden vanaf 1573 een voorraadje aardappelen. Teresa was dus ook de eerste aardappelhandelaar. In de loop van de 17de eeuw verspreidde de aardappelteelt zich heel langzaam over Europa, maar de knol had een zeer bescheiden status en diende hoofdzakelijk als veevoer of als voedsel voor gevangenen. Pas in de loop van de 18de eeuw begon men het enorme potentieel van de aardappel beter in te zien en nam de teelt overal grote uitbreiding. Rond 1800 was hij overal aanvaard en kon de industriële revolutie beginnen. Zonder de aardappel was ze ondenkbaar geweest.
 Twee zalen in het Brugse Frietmuseum
De rijke geschiedenis van dit zo banale maar boeiende knolgewas wordt in het Frietmuseum op onderhoudende wijze aanschouwelijk gemaakt aan de hand van velerlei historische en archeologische objecten, foto’s en drietalige tekstpanelen. De presentatie is opvallend clean en volgt consequent een zeer modern museaal design - een installatiekunstenaar als Guillaume Bijl zou het nooit beter kunnen.
Het allereerste ‘Potato Museum’ Bij dit alles is het amusant aan te stippen dat België al véél eerder een aardappelmuseum bezat, het eerste ter wereld zelfs, en wel in Brussel. Het was een initiatief van de Amerikaan Tom Hughes en zijn leerlingen op de International School in Brussel. Vanaf 1975 werkte hij met zijn schoolkinderen ruim twee jaar aan het aardappelproject, dat op de duur drie klaslokalen in beslag nam en aandacht kreeg in de internationale pers.
De klas van Hughes in de International School, in 1977 poserend onder een slinger chipszakjes
Inmiddels reisde Tom Hughes rond in België en buurlanden, om als een bezetene talloze aardappel-artefacten en memorabilia bijeen te brengen om het museum nader te stofferen. In 1979 hield hij op met lesgeven en bracht hij de verzameling over naar Maransart bij Waterloo. Aan vrienden en sympathisanten stuurde hij een gratis krantje dat ‘Peelings’ heette. Tot 1983 bleef het Potato Museum een schare schaarse bezoekers ontvangen. Daarna verhuisde het naar Washington D.C., om tien jaar later in Albuquerque terecht te komen, in de staat New Mexico.
De frietverdieping van het Frietmuseum Bij het bestijgen van de trap naar de bovenverdieping verandert de sfeer. Het is alsof we de historische ernst achter ons laten om de friet te ontmoeten met zijn genereuze en uitbundige allures. De friet is de edele en feestelijke kant van de aardappel, zijn apotheose en sublimatie. Pas als je frieten bakt kun je ervaren tot welke verbluffende transformaties de aardappel in staat is. In het domein van de friet verdwijnen tekstpanelen en historische commentaren, om plaats te ruimen voor anekdote en artistieke creatie. Wél wordt je eerst nog langs een imposante reeks grootmoederlijke frietpotten geleid, antieke vergieten, friteuses op kolen en ‘vintage’ frietsnijders, die voorheen de privécollectie vormden van longtime friturist Eddy Cooremans uit Merchtem. Daarop sta je voor een heus en levensgroot frietkot, of althans een reconstructie daarvan, waar je dwars doorheen kunt wandelen om het interieur te verkennen en jezelf even een bestaan als frietbakker in te denken.
 Enkele friteuses en frietsnijders in het Frietmuseum
 Buiten- en binnenzijde van de ‘doorwandelfrituur’, naar model van de twee frietkoten aan het belfort
Friet + Frietkot = Kunst Verderop in de gotische zaal komt de collectie van het destijdse Frietkotmuseum aan bod, die overwegend artistiek georiënteerd is. We zien er vitrinekasten met allerlei frietspullen, popjes, displays, een cowboy Henk-frietzak, een frietsmurf, frietkotreclamemannetjes, twee frietpuzzels van Jan Eyskens, frieten in glas van Geoffrey de Beer, frietspeldjes in Belgische kleuren van Nicole Van Goethem, diverse frietkotmaquettes, het frietkot van Jan Spier door Willy Linthout, en een ontwerp voor een frietmonument zo groot als het Atomium door Luc Tegenbos. Van Paul Ilegems zien we een verzameling plastieken frietvorkjes, wetenschappelijk ingedeeld naar type en gepresenteerd op millimeterpapier. We zien verder ook foto’s van een uitgebrand frietkot, Gerard Reve die met zijn vriend Joop Schafthuizen een portie friet nuttigt in Deinze, of de ‘fish & chips’ in Liverpool waar John Lennon graag kwam toen hij nog academiestudent was.
 Diverse kleinere frietparafernalia en frietstrips in het Brugse Frietmuseum


Een oude frietkaart, een frietpuzzeltje van Jan Eyskens en de Frietsmurf
Maar er is ook ‘ernstiger’ kunst te zien, van de hand van bekende kunstenaars als Guillaume Bijl, Marcel Mariën, Jacques Charlier, Jacques Lizène, André Stas, Albert Pepermans, Lucas Vandenabeele, Frank Maieu, modefotograaf Paul Huf, Knack-cartoonist GAL, Herman Selleslaghs, Mark Sleen, Willy Vandersteen, Kamagurka, Her Seele, Joost Swarte, en wereldverbeteraar en taartengooier Jan Bucquoy, die met een keukenhanddoek en een fles frituurolie een hele reeks originele ‘Olie op doek’ realiseerde.
 Guillaume Bijl, ‘Berchem Frituur’, 1983 Eric Legrain, frietkotontwerp, 2000 (courtesy Het Frietmuseum)
Van Raoul Vandenboom en Paul Ilegems zien we een hele reeks foto’s van oude frietkoten, stuk voor stuk wondere staaltjes van de architectonische improvisatielust die zo typisch is voor de Belgische mentaliteit. Ook zanger-accordeonist Jan De Smet is in de verzameling vertegenwoordigd, en zelfs de vermaarde Zwitsers-Nederlandse auteur, liedjeszanger en plezierdichter Drs. P met een verrassende interpretatie van Jeanne d’Arc op de brandstapel.

Vier singles met frietmuziek
Frietmuziek Dit brengt ons bij het muzikale luik van het Frietmuseum dat een twintigtal frietliedjes omvat, door Paul Ilegems bijeengebracht op de cd ‘De Zingende Friet’ (integraal te beluisteren in het museum). Ze zijn geografisch gerangschikt van zuid naar noord, anders gezegd van Frankrijk naar Nederland. Het oudste frietliedje is het romantische ‘Cornet de frites’ van Yves Montand uit 1950, gevolgd door het Paris-musette-nummer ‘Là où il y a des frites’ van Georgette Plana uit 1962. De meest recente Franse liedjes op de cd zijn ‘La frite à Bébert’ van Ben (= Bernard Debreyne) en ‘Goûte mes frites’ van Valérie Lemercier. De friet verleidt de Fransen meestal tot romantisch-sentimentele bespiegelingen met een redelijk hoog beschavingsniveau. Heel anders zijn de liedjes uit België, zoals ‘Ik wil friet met mayonaise’ van de grotendeels onbekend gebleven Marlets, of ‘Zonder bier zonder friet’ van de niet minder obscure Anja Yelles. Hier is de toon gemoedelijker,wat platter ook, en minder verhalend - de Belg zingt zijn frietliefde uit, maar weet er weinig aan toe te voegen. Een hoger peil bereikt Jan De Smet met zijn uitbundige ‘Frituur, frituur, frituur!’, en bovenal Big Bill met zijn sombere, haast existentialistische ‘Fritkot Blues’. De Nederlanders maakten hun eerste frietlied in 1974 met ‘Friet met mayonaise’ van Johnny Hoes (op de wijs van Gigi l’Amoroso). Daarop volgden o.m. ‘Weet je wat ik graag zou willen’ van Paula Dennis en ‘Patatje met’ door Eddy Ouwens. Hoe meer naar het noorden, hoe vettiger de frietmuziek, zo luidt blijkbaar de ongeschreven regel, en hoe méér hij neigt naar smartlap en carnavalstamper. Andere vertolkers op de cd zijn Jean-Claude Salémi, Jean-Paul Vandenbossche, Les Brozeur, Mike Vincent en De Zingende Frietboeren.
De frietkotgeest der Belgen Dat het frietkot zoveel kunstenaars kon inspireren hoeft geen verbazing te wekken, want het heeft zélf iets artistieks. Elk frietkot heeft een eigen persoonlijkheid en reflecteert het karakter van zijn eigenaar. Stuk voor stuk zijn ze anders, maar niettemin meteen als frietkot herkenbaar – elke twijfel is uitgesloten. Met een onmiskenbare ‘nonchalance artistique’ bouwt de Belg zijn frietkot in een oude caravan of afgedankte autobus, of timmert hij naar eigen model een barak in elkaar, waarbij de ene al wat solieder zal blijken dan de andere. Het frietkot is de spiegel van het Belgische volk. De taalgrens blijkt opeens van geen tel meer, de frietwereld kent geen federale gespletenheid. Het Waalse frietkot is het Vlaamse frietkot, en Navefri, de Vereniging der Frituristen, blijft zich tot de huidige dag ‘nationaal’ noemen. Zelf is de Belg te weinig chauvinistisch van aard om zijn frietkot uit te tillen boven de nederige status die het altijd heeft gehad, maar er is niettemin een tendens bespeurbaar die het frietkot tot nationaal symbool maakt, op één lijn met het Atomium en Manneke Pis.
Met zijn vaak chaotisch en geïmproviseerd karakter typeert het frietkot wonderwel de nationale zin voor plantrekkerij en voorlopige oplossingen, die niet alleen op frietkotniveau waarneembaar is, maar evengoed in de hogere regionen van ’s lands bestuur. Ook het typisch Belgische individualisme, compleet met zijn beruchte anarchistische trekjes, komt in deze eigenzinnige, half surrealistische staaltjes van niet-euclidische architectuur sprekend tot uitdrukking.
 Raoul Vandenboom, twee frietkoten (1973)
 Paul Ilegems, twee frietkoten (1996)
De frietkotenjacht De groteske frietbarakken, omgebouwde autobussen en bizarre caravans die Raoul Vandenboom en Paul Ilegems fotografeerden, behoren echter meer en meer tot het verleden, want sinds de jaren 1980 zag men het aantal frietkoten in Vlaanderen gestaag verminderen. Kwam het door de spot in de buurlanden, die de Belg graag voorstelden als een idioot met een frietzak, en tientallen moppen over hem vertelden? Was er een soort frietkotschaamte gegroeid, die hem belette het frietkot zijn rechtmatige ereplaats te gunnen?
 Kees van Kooten met Urbanus op een cover van Humo in 1983 Een Hollandse scheurkalender met Belgenmoppen uit 1984, getekend door Piet Schreurs
Alleszins zag men een ware frietkotfobie opsteken, die ervoor zorgde dat de frietkoten meer en meer werden verdreven uit de Vlaamse steden en gemeenten (in Brussel en Wallonië liet men ze ongemoeid). Het meest gehoorde argument luidde dat ze in strijd waren met de zorg voor monumenten en stedenschoon. Vandaar dat vooral de frietkoten die tegen een kerk of station stonden aangeleund, of zich op een plein aan de voet van een of ander standbeeld hadden geïnstalleerd, het moesten ontgelden. Zo ging veel Oude Glorie verloren. Steden als Antwerpen en Leuven werden in de jaren 1990 zelfs geheel frietkotvrij gemaakt. Alleen Brugge ontsnapte aan de frietkotenjacht. Het stadsbestuur liet de twee frituren bij de ingang van het belfort gewoon betijen, zonder dat iemand ooit kwam beweren dat ze ontsierend werkten. En tot de huidige dag (we schrijven augustus 2009) verschaffen ze nog steeds grote porties friet aan enthousiaste bezoekers uit alle werelddelen. Zeer terecht dus, dat de grote toeristenstad Brugge nu ook het Frietmuseum bezit.
Het Frietkotmuseum in memoriam Het Frietkotmuseum, opgericht door Paul Ilegems in 1981, reisde jarenlang rond door België en Nederland. Zoals zijn naam aangeeft ging het hier niet zozeer om de friet, dan wel om het frietkot, als uitdrukking van de belgitude. In 2000 kwam er een einde aan zijn ambulant bestaan en kreeg het Frietkotmuseum een vaste stek in de restauratieruimte boven Fritkot Max op de Antwerpse Groenplaats, waar het werd ingehuldigd door burgemeester Leona Detiège. Vanwege de beperkte ruimte werden er alleen tijdelijke tentoonstellingen gehouden, met werk van o.m. Nicole Van Goethem, Eric Legrain, Raoul Vandenboom, Niels Donckers en Jan Bucquoy. In 2008 werd de volledige collectie van het Frietkotmuseum opgenomen in het Brugse Frietmuseum.

Het Brugse Frietmuseum is alle dagen open van 10 tot 17u, behalve op 24, 25 en 31 december, op 1 januari en van 5 tot 16 januari. Een volwassene betaalt 6 €, met reducties voor groepen en kinderen (zie website http://www.frietmuseum.be/). Er is ook een ruime frituur voorzien in de kelder, en een museumshop waar allerlei frietgadgets te koop zijn. Jacob Knödel 17.08.2009
|