portaal
agenda
artikels
KuDa
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact




nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Gerald Dauphin in het FotoMuseum


Eigenlijk waren ze maar met drie: Gerald Dauphin, Herman Selleslags en Raoul Van den Boom. En ja, ook nog Koen Wessing. Ik bedoel de fotografen die er in de jaren 1960 overal bij waren, zowel in onze contreien als in den vreemde. Ze fotografeerden geen meeuw op een scheepsketting meer, of een lantaarnpaal in de mist, zoals nog veel fotografen in de jaren 1950. Ze waren geen modernisten of estheten, en hielden ze zich niet bezig met de vraag of fotografie wel als een volwaardige kunstvorm moest kunnen gelden.

Gerald Dauphin probeerde vast te leggen wat zijn tijd typeerde, en dit in sprekende, voor iedereen leesbare beelden, die een direct verband hadden met de actualiteit. Hij voelde zich geen kunstenaar maar eerder een avontuurlijk documentalist, die nooit goed wist met welk soort foto’s hij zou thuiskomen. Zijn werk staat niet ver af van wat persfotografen deden, maar er is wel dit éne, essentiële verschil: hij werkte niet voor een krant of weekblad, maar vanuit een soort buikgevoel met de wereld, steeds weer strevend naar het ultieme beeld dat die wereld zou vastleggen zoals hij hem zag.

In een tijd toen nog weinig mensen een degelijk fototoestel met verwisselbare lenzen bezaten, zag je Gerald Dauphin rondlopen met een Nikon F met daarop een 20mm lens van wel 7cm doorsnee, continu foto’s makend in available light-condities. Zo’n lens was in de jaren 1960 iets ongehoords, temeer daar de marketing zich vooral op de telelens richtte. Het dichterbij halen van je onderwerp, het ietwat wat voyeuristisch gekleurde idee van de verrekijker. Het waren ook de pioniersjaren van de paparazzi.

Wat had je dan aan een lens die alles verder weg duwde? Die met een beeldhoek van bijna 90° veel meer vastlegde dan je normale gezichtsveld, zodat je moest uitkijken dat je eigen voeten niet mee op de foto kwamen.
Maar de groothoeklens verwierf snel een bepaalde glamour, in de hand gewerkt door beroemd geworden fotografen als Billy Name en Stephen Shore in Andy Warhol’s Factory. In de filmwereld was het Richard Lester die er als eerste veelvuldig gebruik van maakte, onder meer in ‘How I won the war’ en ‘A funny thing happened on my way to the forum’.

Gerald Dauphin was dus volkomen ‘tuned in’. Later zag ik hem met een nog wijdere groothoeklens van 18mm, die echter tijdens een tocht in de bergen door een dom toeval deerlijk bekrast raakte en dus onbruikbaar – waar hij wekenlang ontroostbaar van was en vol zelfverwijt.

Het Antwerpse FotoMuseum toont een selectie uit zijn omvangrijk oeuvre, dat sinds zijn overlijden in december 2007 op 69-jarige leeftijd in zijn geheel in dat museum berust. Tegelijk verscheen bij Roularta een vrij omvangrijke publicatie, die eigenlijk de eerste serieuze blijk van erkenning is voor zijn werk. Dat zulks alweer posthuum moet geschieden heeft wel iets treurigs.

Het archief van Dauphin omvat vele tienduizenden negatieven. Hopelijk duurt het niet te lang eer het digitaal toegankelijk wordt gemaakt voor iedereen die snel een foto nodig heeft van een schrijver, kunstenaar, film- of popvedette, jazzmuzikant, politicus of andere in de kijker lopende figuur van na 1960.

 

      
Grafittikunstenaar Keith Haring                          Schilder Jef Verheyen

  
      
New York


Verder heeft wellicht niemand een goed beeld van waar hij allemaal zijn lens op richtte. Gerald verbleef vaak in New York, zijn meest favoriete stad. Vele honderden opnamen gaan over het straatleven aldaar met zijn vele acties en manifestaties, maar brengen ook prominente jazzfiguren in beeld als Duke Ellington, Erroll Garner, Bill Evans en Chet Baker.

Op zijn vele omzwervingen beleefde hij vaak vreemde dingen. Zo reisde hij voorjaar 1990 naar Bombay om daar een buitengewoon luxueus en twaalf dagen durend huwelijksfeest te fotograferen, in een gedecoreerd voetbalstadion met duizenden genodigden. Zijn trouwe vriend Luc Renneboog vergezelde hem als assistent. Beter bekend als Luke Walter Junior was hij zanger en bezieler van de bekende bluesgroep Blue Blot. Ingevolge een zeldzame en ongeneeslijke kwaal aan beide ogen stond Luke Walter Junior officieel als 100% blind geregistreerd, wat hem niet de uitgezochte man maakte voor de rol die Gerald hem had toebedacht. Maar Geralds eindeloze geduld maakte veel goed, en ze hadden jarenlang een perfecte samenwerking.
Maar welke luisterrijke gebeurtenis Dauphin ook bijwoonde, eenmaal weer thuis werd hij onmiddellijk weer geheel op zichzelf teruggeworpen en kon hij van angst dat al zijn opnames mislukt zouden blijken de slaap niet vatten.

 

Drie goede vrienden van Dauphin, zanger Luke Walter Junior, kunstenaar Albert Szukalski en dichter-cineast Patrick Conrad als de drie aapjes van ‘horen, zien en zwijgen’.
Eerstgenoemde bedekt de ogen niet, zoals gebruikelijk.
Aangezien hij zo goed als blind was kon een zonnebril volstaan.

Drie goede vrienden van Dauphin, zanger Luke Walter Junior, kunstenaar Albert Szukalski en dichter-cineast Patrick Conrad als de drie aapjes van ‘horen, zien en zwijgen’. Eerstgenoemde bedekt de ogen niet, zoals gebruikelijk. Aangezien hij zo goed als blind was kon een zonnebril volstaan.

Het overgrote deel van zijn werk blijft ongepubliceerd. Dat ligt vooral aan de persoonlijkheid van Gerald zelf, weinig naar buiten trad en maar heel moeizaam voor zichzelf opkwam. Hij leefde niet ‘groots en meeslepend’, deed nooit iets opvallends, verhief nooit zijn stem. De zelfverzekerde lef die men doorgaans aan fotografen toedicht was hem totaal vreemd.
Hoewel wel degelijk voorzien van een gevoel van eigenwaarde leende hij zich vlot tot allerlei onbetekenende opdrachtjes, altijd beducht als hij was voor de dag van morgen. Hij fotografeerde honden voor het blad ‘Woef’ en wijnflessen voor Knack Weekend. In augustus 1998 zag ik hem aan de ingang van Fnac Antwerpen waar hij in opdracht van de winkel elke binnenwandelende klant fotografeerde. De foto kon je enkele dagen later kosteloos komen afhalen, waarmee Fnac zich verzekerde van de spoedige terugkeer van zijn zomerse bezoekers. Vele honderden, zoniet duizenden mensen bezitten dus zonder het te beseffen een portret van hun anonieme wezen door Gerald Dauphin. Zelf liet ik me uiteraard eveneens fotograferen en moet met een bescheidenheid die mij siert toegeven dat het misschien wel de beste foto is die ooit van onderhavig wezen werd gemaakt.
Zijn 20mm-lens kocht ik dertig jaar later van hem over. Zijn nieuwste toestel, een digitaal, ligt in het museum. Heel toevallig stond ik naast hem toen hij het aanschafte, in de Antwerpse fotozaak Grobet. En zo grijpt alles in het leven in elkaar.

Gerald Dauphin in het FotoMuseum Waalse Kaai 47, Antwerpen, nog tot 4 januari 2009.
Het boek Gerald Dauphin - 360° met teksten van Geralds neef Philip Heylen en Tessa Vermeiren is samengesteld door Tessa Vermeiren en Tim Oeyen, uitgave Roularta Books, prijs 35 €.

Paul ILEGEMS
Sept 2008

Paul Ilegems
01.09.2008



top | 13 03 2010 22:37
print