portaal
agenda
artikels
KuDa
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact




nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Het verschijnsel Jan Bucquoy


Een paar keer per jaar komt hij op de Belgische televisie, aan beide kanten van de taalgrens: Jan Bucquoy. Publicaties als De Morgen, Le Soir, Libération en Humo weten hem altijd weer te vinden voor een niet al te ernstig gesprek over de toekomst van de beschaving, de staatshervorming, de economische crisis of het koningshuis, nochtans goed wetende dat hij geen moraalfilosoof of politicoloog is, noch een beursanalist of een vertrouweling van prinses Mathilde. Maar Bucquoy levert een bepaalde meerwaarde. Hij is altijd in voor een grappig commentaar, en zijn vermaarde onvoorspelbaarheid zorgt bijna altijd voor goede televisie. Vanwege zijn dolle en roekeloze reputatie durven alleen gereputeerde en ervaren televisiemensen hem uitnodigen. In onbenullige programma’s is hij nooit te zien, en niet omdat hij te moeilijk zou zijn voor de doorsneekijker, te theoretisch of te intellectueel, maar integendeel véél te bevattelijk. Heel Belgisch televisieland blijft het nog lang heugen hoe hij in het veelbekeken programma ‘Incredibile’ van Felice Damiano, live op de Vlaams-Belgische zender, bliksemsnel twee vijgen uit zijn broekzak toverde om daarmee op beeldende wijze de pruim van koningin Fabiola na te bootsen. Bucquoy is ontembaar, en je moet als televisiemaker van goede huize zijn, wil je hem onder controle houden en verhinderen dat hij je in een wilde dans door de studio sleept.

Zijn optredens in de media wekken nieuwsgierigheid naar zijn persoonlijkheid. Uit welke hemel is Jan Bucquoy neergedaald, uit welk gat in de aarde is hij tevoorschijn gekropen? Hoe valt zijn bestaan te begrijpen?
Om wijzer te worden ga je op zoek naar zijn strips, die voor een deel autobiografisch zijn, en stuit dan al gauw op de onvolprezen albums Zwarte koffie en Love is all you need uit de jaren 1989-92 en allebei getekend door Jean-Philippe Vidon, alsook Kortstondige ontmoetingen, in 1986 getekend door Marc Hernu. De hoofdpersoon in deze strips is een overdrijving van Jan Bucquoy zelf: een wat mistroostige sukkel, met de moed der wanhoop op zoek naar liefde en seks (die hij als menigeen niet uit elkaar weet te houden), en steeds weer ontgoocheld door ’s werelds materialisme en de liefdeloze onverschilligheid, zodat hij uiteindelijk geen andere uitweg ziet dan terug te vallen op zichzelf en zijn povere levensomstandigheden, in de hoop op een betere dageraad.

 

Bucquoy als cineast

Ook in zijn films is veel van Bucquoy’s ideeën en achtergronden terug te vinden, maar de accenten liggen anders. Hij lijkt er meestal en stuk vrolijker, gemotiveerder, ondernemender en opstandiger, alsof het maken van een film op zich hem tot een positievere levensvisie inspireert.
Als cineast blijft hij stevig ondergewaardeerd, wat ongetwijfeld te maken heeft met zijn vele ongenuanceerde uitvallen tegen het vorstenhuis en het politiek-economische establishment. Nogal wat mensen willen of durven met Bucquoy niets te maken hebben. Al enkele jaren vóór de beruchte pruim van Fabiola verklaarde hij in december 1989, in het nieuwsmagazine Nova van de NOS, dat hij koning Boudewijn de hand wou drukken met een handgranaat erin, waardoor ze samen in de lucht zouden vliegen. En in mei 1992 nodigde hij de vorst uit om op de Brusselse Grote Markt publiekelijk te worden onthoofd. Hij kwam echter niet opdagen, waarop Bucquoy de onthoofding dan maar op een plaasteren borstbeeld uitvoerde, wat hem evenwel door de ordediensten werd belet. De buste werd in beslag genomen en Bucquoy ging de cel in.

 

    

 De deels onthoofde buste van Boudewijn in de kelders van het Brusselse justitiepaleis. De tekst van de uitnodiging luidde: “Sire, Gezien alle pogingen tot minnelijke schikking tot heden zonder gevolg zijn gebleven, gaan wij over tot uw onthoofding. Gelieve u te begeven op de Grote Markt van Brussel vrijdag 15 mei 1992 om 14 uur stipt om er publiekelijk onthoofd te worden. Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk. Gelieve een lijst op te maken met vermelding van al uw bezittingen teneinde over te kunnen gaan tot hun openbare verkoop ten voordele van de staatskas mits afhouding van de gebruikelijke 15% commissieloon. Gezien uw gezondheidstoestand zal het Rode Kruis toegelaten worden op de Grote Markt om u eventueel bij te staan. Dit schrijven geldt als enige kennisgeving. Leve de Republiek !”

(getekend: de beul, Jan Bucquoy).

 

Ondanks deze opruiende en provocerende wapenfeiten werd Jan Bucquoy door de Vlaamse filmcommissie voorgedragen om voor zijn tweede film, Camping Cosmos, een subsidie van 6,5 miljoen Belgische frank (ofte 162.500 €) te incasseren. Ongetwijfeld had zijn debuut, La vie sexuelle des Belges, bij de commissieleden een gunstige indruk nagelaten. Aanvankelijk aanvaardde de Vlaamse Gemeenschap de subsidie, maar kort daarop trok media-minister Eric Van Rompuy ze eigenmachtig in, en dat hij daarmee alle regels met de voeten trad kon hem niets schelen. Protest van de filmcommissie haalde niets uit, en een interventie van het Groene kamerlid Jos Stassen evenmin – voor Van Rompuy was de film ‘beschamend’ en hij bleef bij zijn wederrechtelijk veto. Een en ander verhinderde overigens niet dat Bucquoy de film alsnog afwerkte en in roulatie bracht.

 

    
De affiche voor ‘Camping Cosmos’ en Jan Bucquoy met de Lolo Ferrari-pop, 1996

 


Plenaire Vergadering van 17/01/1996

Actuele vraag van de heer Jos Stassen tot de heer Eric Van Rompuy, Vlaams minister van Economie, KMO, Landbouw en Media, over de beoordelingscriteria voor subsidiëring van filmprojecten

De voorzitter : Aan de orde is de actuele vraag van de heer Stassen tot de heer Van Rompuy, Vlaams minister van Economie, KMO, Landbouw en Media, over de beoordelingscriteria voor subsidiëring van filmprojecten.

De heer Stassen heeft het woord.

De heer Jos Stassen (Op de tribune) : Er is iets aan de hand met de laatste filmaanvraag van Jan Bucquoy, die een speciale man is, dat weet ik. Een filmsubsidie-dossier moet een aantal stappen doorlopen. Er is eerst de selectiecommissie, dan het advies van de minister van Media en de minister van Cultuur en tenslotte de doorlichting door de Inspectie van Financiën. Het project Camping Cosmos van Jan Bucquoy doorliep al deze stappen met positief gevolg. Het dossier werd - zonder motivatie - afgewezen door de Vlaamse regering, die bij een subsidieaanvraag van meer dan 6 miljoen frank ook moet toestemmen. Ik wil hier de heer Bucquoy niet verdedigen, maar een dergelijke houding roept een aantal vragen op. De Vlaamse filmsector genereert toch een aantal economische activiteiten. 80 Percent van de subsidies wordt opnieuw geïnvesteerd in Vlaanderen onder de vorm van lonen en dergelijke. De Vlaamse filmsector vraagt zich af welke argumenten en criteria de Vlaamse regering hanteerde om deze film af te wijzen? Welke criteria hanteert de Vlaamse regering die afwijken van de criteria die de ministers van Media en Cultuur hanteren? Mijn vraag is tweeledig : wat is de motivatie in het concrete dossier van Jan Bucquoy en welke bijkomende argumenten worden door de Vlaamse regering gehanteerd?

Minister Eric Van Rompuy (Op de tribune) : Mijnheer de voorzitter, collega´, de weigering van de subsidie aan de film Camping Cosmos van de heer Bucquoy was een collegiale beslissing van de Vlaamse regering. Ik sta er zelf ook totaal achter, dit in tegenstelling met een persbericht waarvan ik enkele uren nadien al afstand nam. Er zijn twee redenen voor het niet toekennen van de subsidie. Ten eerste, de film is een co-productie met de Franse Gemeenschap. Het advies van de Inspectie van Financiën luidt letterlijk als volgt : wanneer men - pour les besoins de la cause - enkele Vlamingen aantrekt voor nevenrollen, wordt het noodzakelijke aan het aangename gekoppeld. Het aangename is hier het oprapen van enkele miljoenen frank Vlaamse subsidies. U weet dat de Vlamingen slechts in bijrollen figureren. Zodoende kunnen we dit niet beschouwen als een productie waaraan Vlaamse subsidies kunnen worden toegekend. Ten tweede, het is niet de gewoonte van de Vlaamse regering om de inhoud van de films te beoordelen. Veel Vlamingen zouden er echter aanstoot aan nemen indien we aan deze film gemeenschapsgelden hadden toegekend. (Applaus bij het VB)

De heer Jos Stassen : Mijnheer de minister, ik ben het niet eens met uw eerste argument. De subsidie van de Vlaamse Gemeenschap zou 14,5 percent van het budget uitmaken. Meer dan 14,5 percent van de medewerkers aan deze film zijn Vlamingen. Ik ben blijkbaar een beetje te snel geweest met mijn gelukwensen. Ik stel vast dat de openheid die ik bij u meende te ontwaren blijkbaar niet meer van toepassing is. Ik denk dat het rechtse Vlaanderen terug is van weggeweest.

De voorzitter : Minister Van Rompuy heeft het woord.

Minister Eric Van Rompuy : Ik laat die interpretatie voor uw rekening. Het verwondert me dat de groene partij nu de grote voorvechter is om 6,5 miljoen frank subsidie te geven aan dat soort produkties. Ik vraag me af wat volgens u de criteria zijn waaraan films in Vlaanderen moeten voldoen om gesubsidieerd te worden. Als u deze film zou zien, zou u zich schamen indien de Vlaamse Gemeenschap daar geld aan zou hebben gegeven. Daarvan ben ik overtuigd.

De voorzitter : Het incident is gesloten.


Ook de films die daarop volgden blijken ondanks hun manifest low budget-karakter een tweede visie ruimschoots waard. Gedraaid ‘met niks’, zien we er vrienden en kennissen van Bucquoy geheel onbezoldigd hun eigen leven spelen, en wel zo natuurlijk dat ze menig vakacteur in geloofwaardigheid overtreffen. Dialogen en handelingen zijn opvallend vlot en spontaan, en zonder het ‘van-buiten-geleerde’ dat zoveel Belgische films (toch zeker aan Vlaamse zijde) kenmerkt. Bucquoy ging dan ook niet in de leer bij Roland Verhavert, Fons Rademakers of Robbe De Hert, maar liever bij de Franse cinéma-vérité van figuren als William Klein, Jean Eustache en bovenal Jean-Luc Godard. En méér nog dan Godard is Bucquoy een boodschap-cineast, die vanuit een quasi onbestaand scenario met messianistische ijver zijn geloofsartikelen verkondigt.

 

Bucquoy's project voor de maatschappij

Die artikelen zijn behalve in zijn films terug te vinden in zijn literaire teksten, en zijn meest recente publicatie La vie est belge (2007) herneemt ze nog eens breeduit. Het eerste en belangrijkste punt luidt dat er absoluut, en wel zo spoedig mogelijk, een revolutie moet komen die terstond het hele programma Bucquoy ten uitvoer brengt.
Die revolutie, steevast aanvangend op de 21ste mei, hoeft geen omwenteling op wereldschaal te zijn, maar mag zich beperken tot België. Dat land verkeert in een permanent onafgewerkte en chaotische toestand, en telt veel inwoners die naar anarchisme neigen. Omstandigheden die het bij uitstek geschikt maken om te fungeren als een experimenteel psychologisch en socio-politiek laboratorium.
Zodra dus op die bewuste dag, 21ste mei eerstkomend, het koninklijk paleis door het volk is ingenomen en de regering aan de dijk gezet, worden kerk en leger, privébezit en verkiezingen, huwelijk en erfenisrecht in één pennenstreek afgeschaft. Daarop komt een gigantische loterij op gang, die alle bestaanselementen van het leven overneemt en gaat reguleren. Die loterij is permanent en verdeelt woningen, auto’s en alle andere goederen onder de bevolking. Opmerkelijk is dat die verdeling niet naar behoefte geschiedt, maar volstrekt willekeurig, zoals het lot beschikt.
De totale ontregeling die daar als vanzelf uit voortvloeit wordt eerder als een winstpunt gezien dan als een katastrofe, omdat ze een opening biedt naar nieuwe, geimproviseerde en dus meer authentieke levensvormen. Armen komen in villa’s terecht, rijken in OCMW-appartementjes, en zoeken het dan maar verder uit. De lottocratie bepaalt zelfs het beroepsleven, voor zover het geen te gespecialiseerde beroepen betreft. In de visie van Bucquoy zijn de meeste beroepen die de mensen uitoefenen weinig meer dan toevallige nepberoepen, die evengoed door een ander kunnen worden gedaan. De nieuwe wereld van Jan Bucquoy is verder ook een erotisch paradijs, waar iedereen elkaar toebehoort in onbeperkte vrije liefde. Voor wie het bij dit alles toch niet ziet zitten is er de gratis verstrekte B-pil, die eerst een roes verwekt en vervolgens slaap, uitlopend in een bewusteloos overlijden.

De lottocratie die Jan Bucquoy voorstaat is geen vinding van hem alleen. Het concept stamt in zijn kern al uit de Griekse tijd en is dus haast zou oud als de democratie zelf. Bij Aristoteles lezen we: “Ik ben bijvoorbeeld van mening, dat het als democratisch beschouwd wordt wanneer de vertegenwoordigers aangewezen worden door het lot, terwijl verkiezingen als oligarchisch beschouwd worden.” Sindsdien kwamen allerlei fantasierijke denkers die zich niet konden neerleggen bij de onontkoombare nadelen van de democratie er geregeld op terug, met als voorlopig laatste L. León met zijn boek ‘The world-solution for world-problems: the problem, its cause, its solution’ uit 1988. De lottocratie werd echter nergens en nooit op bestuursniveau toegepast, en blijft dus een politiek denkbeeld van utopische aard.

 

Bucquoy in de beeldende kunst

Nog een andere ingang tot het Leven en Denken van Jan Bucquoy is te vinden in zijn kunstenaarschap, dat zonder enige overdrijving uniek mag genoemd worden. Er valt immers binnen noch buiten België een kunstenaar aan te wijzen die enigszins op hem lijkt. Toch heeft hij geen unieke uitdrukkingsvorm bedacht – hij maakt gewoon schilderijen, als iedereen. Doch met dit opmerkelijke verschil, dat hij de schilderkunst niet uit liefde beoefent, maar uit afkeer. In ‘La vie est belge’ lezen we op p. 21: “L’art, c’est bidon, des branleurs qui se la jouent pour éviter d’aller bosser tous les jours, c’est bien leur seule qualité. Pour moi, l’art ne peut servir qu’à gommer les moments nuls de la vie, qu’à chambouler le monde.” En in een gesprek met Humo verklaarde hij in augustus 1994: “Ik weet niet wat kunst is. Ik vind van mezelf niet dat ik met kunst bezig ben. Ik ben bezig met het leven. Leven is belangrijker dan kunst. Zoals ik daarnet al zei: als het leven wat meer geluk bracht, zou kunst gewoon niet bestaan. Weet je wat kunst is? Koning Boudewijn die op de Grote Markt wordt onthoofd door een eenvoudige arbeiderszoon uit Harelbeke. Dat is vernieuwend. Dat is grensverleggend. (...) Koning Boudewijn was een mythe. Toen ik zijn gipsen borstbeeld onthoofdde, wou ik duidelijk maken dat je macht ten alle tijde in twijfel moet trekken. Maar niemand zag de ironie ervan in. Iedereen dacht dat ik de echte koning had onthoofd.”

Niet het kunstwerk zelf is voor Bucquoy van belang, en ook niet de waarden die eraan gekoppeld worden, zoals technische beheersing en superieure esthetiek, filosofische of contemplatieve diepzinnigheid, financiële uitstraling en maatschappelijk prestige. In plaats van respect en adoratie wekken al deze begrippen alleen maar verachting bij hem. Zijn hartsgrondige afkeer geldt de hele kunstwereld, museumdirecteurs, curatoren, kunstverzamelaars, critici en de kunstenaars zelf incluis. Elk werk dat Bucquoy maakt is dan ook een statement waarin hij deze elementaire en door niemand mis te verstane boodschap brengt, nl. dat hij lak heeft aan alles wat men kunst pleegt te noemen, en het allemaal onder één noemer op een hoop veegt, de noemer van ijdelheid, poenigheid en snobisme.

Elk doek van Bucquoy is het werk van een enragé, en het is ook op die wijze, als in een woede-aanval, gerealiseerd. Einde jaren 1990 betrok hij heel toepasselijk een afgedankte Harelbeekse cinema als woonst, en noemde die ‘Bucquoy’s Palace’.  Daar had hij atelierruimte in overvloed. Dus haalde hij een hoge rol doek in huis van wel 15 meter lang, rolde die uit op de vloer en ging aan de slag met een dweiltrekker en drie grote potten verf, lichtblauw voor de lucht, donderblauw voor de zee en oker voor het zand. Nadat de hele rol met deze kleurlagen was bewerkt, verknipte hij hem tot acht grote rechthoeken en spande die op. Nimmer in de kunstgeschiedenis waren marines sneller tot stand gekomen. De nog min of meer aaneensluitende doeken zouden de Belgische kust voorstellen en kregen dus de namen van kustgemeenten, van De Panne tot Knokke.
En zoals Bucquoy het marineschilderen opvatte, zo deed hij ook met zijn vorstenportretten, zijn obscene interpretaties van Kuifje en zijn reeks ‘Olie op doek / Huile sur toile / Oil on canvas’, gerealiseerd vanaf 2003 voor een tentoonstelling in het Antwerpse Frietkotmuseum en simpelweg bestaande uit ingelijste keukenhanddoeken waarop vlekken frituurolie.

 

     

Drie 'Huile sur toile - Olie op doek', 2003-06

 

Misschien is de ultieme waarheid over Bucquoy wel terug te vinden in zijn vele trouwhartig genoteerde processen-verbaal en verklaringen in de rechtbank. Politiemensen en rechters lijken hem meestal als een vrij onschuldig sujet te beschouwen, die haast bij toeval in hun klauwen is terechtgekomen en daar eigenlijk niet thuishoort. Want Jan Bucquoy weet zijn imago snel bij te stellen. “Ik heb een taart gegooid naar de Minister van Cultuur. So what?” In ‘La vie est belge’ geeft hij daar een amusante glimp van, zijn schaamteloze poging vertellend hoe hij, getrouw aan zijn credo “Tu n’as aucune chance, alors saisis-la,” een vrouwelijke rechter het hof poogde te maken. Helaas blijven politiedossiers en rechtbankverslagen ontoegankelijk voor dit soort onderzoek.
De relatieve tolerantie der Belgische gezagdragers jegens Bucquoy vloeit ongetwijfeld voort uit een voor hem vrij begunstigende publieke opinie. Op de nominatielijst voor de Grootste Belg bekleedde hij een mooie 492ste plaats. En zo kan Jan Bucquoy in België nog redelijk gedijen. Hij wordt er niet als een rariteit gepresenteerd, een media-clown waarover iedereen al op voorhand zijn mening heeft, maar als een individu dat komt praten over iets intiems als de zelfmoord van zijn dochter.
In Nederland was hij allang afgevoerd als een relict zonder nieuwswaarde uit de provotijd. In Frankrijk was hij goedschiks-kwaadschiks ondergebracht bij een of andere politieke subgroep, om voortaan nog slechts met dat etiket te worden benaderd, onontkoombaar en totterdood. In Duitsland zat hij al jaren in Spandau, in de eenzame cel van Rudolf Hess. In Engeland gaf hij elke week vanop een zeepkist een speech op de hoek van Hyde Park, al mag je daar nét niet praten over de twee onderwerpen die hem het nauwst aan het hart liggen: het koningshuis en het omverwerpen van het staatsbestel.

Toch zijn onze buurlanden dol op de Belg Jan Bucquoy, zolang hij in België woont en daar ook blijft. Geregeld wordt hij er opgevoerd als het schoolvoorbeeld van het ware Belgschap, het ideale studie-object voor wie de belgitude van naderbij wil leren kennen. En niet ten onrechte - in zijn persoon vinden alle Belgische tegenstellingen en paradoxen zowel hun apotheose als hun verzoening. Ook al verkondigt hij sinds decennia dezelfde boodschap, telkens weer vindt hij luisteraars bij de belangrijkste media van het land. Conclusie: België houdt van Bucquoy. Het zou niet zonder kunnen. Ooit zal hij samen exposeren met Delphine Boël. Daarop wordt hij Ridder in de Leopoldsorde. Dan wordt hij gevraagd op de begrafenis van Fabiola. Om uiteindelijk adviseur te worden van koning Filip I. En geen Belg die daar zou van opkijken.

Paul Ilegems
01.01.2009

p.ilegems@telenet.be


top | 13 03 2010 22:39
print