portaal
agenda
artikels
KuDa
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact




nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
De Iraakse maqâm
Van sportschool tot koffiehuis

 

Arabische melodieën zullen uw oren ongetwijfeld prikkelen. Vreemd en vals zult u misschien denken bij een eerste beluistering, eentonig zelfs. Het Arabische klassieke repertoire is inderdaad geen wereld van uitersten. Men schreeuwt niet, men zingt. Men scheurt niet op een luit, maar sculpteert behoedzaam de klanken. Het is het Midden-Oosten op zijn best: zo desoriënterend in het begin, zo verslavend daarna.

Irak, de bakermat van de klassieke traditie, blijft verrassen met uitstekende ensembles. Meestal krijgen we die muzikanten op onze podia niet te zien of te horen. Maar er zijn natuurlijk de spreekwoordelijke uitzonderingen, Farîda en haar Iraaks Maqâm Ensemble bijvoorbeeld. Zij zijn in elk geval goed op weg om zich ook hier een naam te vestigen.

Minuscule bouwstenen In het Midden-Oosten houden ze van subtiliteit, ook in de muziek waar ze heel kleine intervallen gebruiken. Precies dat microtonale is verrassend. Goede uitvoerders kunnen met die minuscule bouwstenen een ongekend rijke melodievoering ontwikkelen. Meerstemmigheid moet je hier niet zoeken, want alle aandacht gaat naar die ene muzikale lijn. Improvisatie is belangrijk, maar er zijn regels. Kwestie van met anderen in een ensemble te kunnen samenspelen. De intervallen zijn gebundeld tot een reeks, de maqâm (mv. maqamât). Dat is een precisiewerkje, en elke muzikant specialiseert zich in een aantal maqamât. Dat moet wel, want in Irak kennen ze maar liefst twintig hoofdmaqamât en een hele reeks afgeleiden. Het systeem is zó ingenieus, dat met elke maqâm een stemming overeenkomt: vrolijk, ingehouden, droevig, melancholisch,...
Het is niet uit de lucht komen vallen. De vroegste sporen zijn in de cAbâssidenperiode terug te vinden, in het midden van de achtste eeuw. Bagdad was de hoofdstad van de Arabische wereld, een bruisende metropool die cultureel hoge toppen scheerde. Maar het duurde nog tot 1400 voor er sprake was van de maqâm. De Iraakse variant heeft veel te danken aan componist Shiltegh (1798-1872). Veel van zijn werken zijn bewaard, via de mondelinge traditie overgeleverd. Voor studenten en muzikanten vormen ze een referentie. Klakkeloos naspelen is gelukkig nooit het geval, want in het Midden-Oosten moet je altijd iets van jezelf toevoegen. Traditie en vernieuwing hand in hand.

Improvisatie troef

Eén van de belangrijkste criteria bij het beoordelen van uitvoerders is hun improvisatietalent. Hoe beter en hoe gemakkelijker ze die vrijheid kunnen combineren met de strenge compositieregels, hoe groter de bijval die ze genieten. Voor een zanger(es) komt daar natuurlijk de tekstinterpretatie bij. Gedichten in het klassiek Arabisch zijn erg in trek. Deze muwashshahât bezingen dikwijls (maar zeker niet uitsluitend) wijn en liefde, twee themata die al voor het ontstaan van de strofische poëzie als dichterlijk onderwerp in de Oosterse Arabische literatuur voorkwamen. De Umayyaden-kalief al-Walîd Ibn Yazîd (regeerde tussen 743-44) was één van de eersten die de wijnpoëzie als een zelfstandig genre beoefende. Pas onder de cAbâssiden-dichter Abu Nuwâs (gest. ca. 810) bereikt het wijndicht zijn hoogtepunt. Abu Nuwâs bespeelt alle mogelijke motieven. Zijn drinkgelagen situeren zich in tuinen in lentetooi, vol bloemen, vogels en fonteinen, met een zacht waaiende ochtendwind en een gouden ochtend- of avondhemel. Het drinken is de uiting van een levensfilosofie in de stijl van 'pluk de dag, want het leven is zo kort'. Maar ook oudere liefdesthematiek komt aan bod: het wegtrekken van de stam van de geliefde, met een wenende dichter die achterblijft bij de kampresten. Soms lukt het rendez-vous wel. De nacht - u kan het zich wel inbeelden - is voor de geliefden als altijd te kort, de plotseling aanbrekende dageraad smartelijk.

De soefi sportschool

Bij huisconcerten genieten liefdesliederen de voorkeur. Ideaal om een huwelijk of een verjaardag op te luisteren. Ook in koffiehuizen weten de gasten - lurkend aan een waterpijp - deze muziek te smaken. Zelfs in soefi sportscholen (zurkhane) wist de maqâm door te dringen. Met aangepaste teksten is het een manier om de fysieke training (te vergelijken met tai chi) muzikaal in te bedden. Maar het kan ook plechtiger, op de geboortedag van de profeet Mohammed (mawlid).

Farida Mohammed Ali

Zangeres Farîda komt uit Zuid-Irak, uit de sjiietische heilige stad Kerbala. Hier ging Hussein, de kleinzoon van de profeet Mohammed, als martelaar de geschiedenis in. In tegenstelling tot elders in Irak, beoefenen vrouwen hier wel de maqâm. Farîda had gelukkig een aantal voorgangsters: Munira Abdal Rahman al-Hawazwaz (1895-1955), Sadiqa Mulayya (1901-1968), Selima Murad (1900-1972) en Zakiya Georges (1900-1961). Respectabele zangeressen, die vier tot vijf maqamât beheersten. Farîda zou er tot nu toe zo'n 19 onder de knie hebben, een aantal dat ze tot dertig wil opvoeren.

Het Maqâm Ensemble van Irak

In 1973 al legde de Iraakse luitspeler Munir Bachir de basis voor het huidige Maqâm Ensemble, een traditioneel vierkopping ensemble.
* Mohammad Gomar Al-Bawi op djoze (viersnarige vedel) en viool
* Wesam A. Ibrahim Alazzawy op santur. Een interessant instrument, bij ons beter gekend als hakkebord. De vroegste afbeeldingen gaan terug tot de vroege culturen van Mesopotamië, nl. de Babylonische en Neo-Assyrische periode (tussen 1600 en 600 v. Chr.) Op de voorstellingen is een harp te zien die horizontaal wordt gehouden, waarvan de snaren met twee hamertjes worden aangeslagen. Waarschijnlijk ligt hier de oervorm van het Hongaarse cimbalom. Na de Arabische machtsuitbreiding raakte de santur ook verspreid over Noord-Afrika. Vandaar ging het naar Spanje en verder via Zuid-Europa naar Turkije. De in totaal 72 snaren zijn per vier gegroepeerd zijn en verdeeld over 18 kammen. Die kammen zijn verplaatsbaar zodat de uitvoerder de stemming van het instrument tijdens het spelen kan aanpassen. De hoge snaren aan de linkerkant zijn uit staal getrokken, de bassnaren aan de rechterzijde uit koper. De twee hamertjes (mezrâb) zijn heel licht en vervaardigd uit het hout van de mispel- of buksboom. Soms zijn ze bekleed met vilt, maar meestal verkiezen muzikanten de snaren aan te slaan met het blanke hout. Dat zorgt voor een iets hardere klank, rijk aan boventonen.
* Ehab Alazzawy op riqq (schellentrom)
* Abdullatif Saad Al-Obaidi op tabla, een bekervormige trommel. Oorspronkelijk was het een begeleidingsinstrument om het ritme aan te geven. Die functie vervult het vandaag nog altijd. In de loop van deze eeuw kreeg het binnen het concertrepertoire ook een belangrijke solistische rol toebedeeld. Een aantal meesters ontwikkelden de speeltechniek verder. De tabla mag qua vorm dan misschien het meest eenvoudige percussie-instrument zijn, muzikaal-technisch is het toch het meest complete.

Te beluisteren

  • Farîda and the Iraqi Maqam Ensemble
  • ‘The voice of Mesopotamia’
  • Long Distance - distribution Harmonia Mundi
  • CD nr. 0470103

Johan Van Acker
01.10.2003

http://www.faridamaqam4u.com/


top | 16 03 2010 08:25
print