portaal
agenda
artikels
KuDa
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact




nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Beeldhouwer Ward Van Grimbergen
Een kunstenaarsbestaan in de psychiatrie

Nogal wat kunstenaars leggen een bepaalde terughoudendheid of zelfs onwil aan de dag als het erop aankomt, hun werk voor de kijker te verduidelijken. Meestal is dat niet meer dan een soort bescheidenheid, gecombineerd met een voorzichtig afwachten. De kijker is immers gauw geneigd om aan het woord van de kunstenaar een groot gewicht toe te kennen, en de kunstenaar weet dat. In plaats van zich uit te spreken verkiest hij dat de kijker zelf over het werk nadenkt en met eigen interpretaties komt, die hem soms onverwachte nieuwe inzichten kunnen opleveren. Maar er bestaat ook een ander soort kunstenaars dat oprecht niet in staat is iets zinnigs over het werk mee te delen. Ze willen er wel over praten, graag zelfs, maar krijgen niet onder woorden gebracht wat hen bij het maken door het hoofd spookte. Meestal gaan deze kunstenaars heel spontaan en intuïtief te werk, zodat ze achteraf het creatief proces onmogelijk nog kunnen reconstrueren.

Vraag je beeldhouwer Ward Van Grimbergen wat een bepaald werk voorstelt, dan kun je een antwoord verwachten als “Tja - het is een beest, een vos eigenlijk, maar ook een luipaard, een luipaard die wil springen… of een rat, ja, ook een rat, misschien is het wel een rat,“ waarop hij u voldaan glimlachend aankijkt. Door zijn ongewone manier van waarnemen ziet Van Grimbergen in de vormen die wij allen als alledaags ervaren een grotere complexiteit en ambivalentie. Zijn levendige fantasie maakt dat hij overspoeld raakt door associaties en soms de werkelijkheid in twijfel trekt. Ward Van Grimbergen wordt medisch beschreven als psychotisch schizofreen, waarmee echter niet gezegd is dat het door deze ziekte komt dat hij zijn werk niet goed in woorden kan vatten, of dat andere kunstenaars die dat ook niet kunnen eveneens aan schizofrenie zouden lijden. Wél lijkt vast te staan dat deze afwijking bepaalde denkwijzen en gedragspatronen op gang brengt die ook bij heel wat ‘normale’ kunstenaars in min of meerdere mate aanwezig zijn. Want ook de ‘normale’ kunstenaar voelt zich vaak een randgeval in de maatschappij, slecht begrepen en als onaangepast beschouwd door anderen.

Een oorspronkelijk afstudeerproject

Ward Van Grimbergen (°1972) studeerde in 1999 met onderscheiding af aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen in de klas van de bekende Antwerpse beeldhouwer Wilfried Pas. Het was tijdens zijn studietijd dat zijn schizofrenie zich manifesteerde, zodat hij over langere periodes medicatie moest nemen die hem elke creatieve arbeid quasi onmogelijk maakte. Ook zijn contacten met leraars en andere studenten leden er onder. Bovendien verloor hij bij een ongeval zijn rechteroog.
Doordat Ward in een eigen wereld leefde kon hij eigenlijk alleen maar werken maken die uit die wereld voortvloeiden. Zijn aandacht ging vooral uit naar de assemblage, waarin hij een bijzondere inventiviteit aan de dag legde. Je had hem in die jaren een typisch ‘containerkunstenaar’ kunnen noemen: iemand die in de dingen die anderen hebben weggegooid een onverwachte esthetiek en een nieuwe betekenis ontdekt. Hij heeft een ontwikkeld gevoel voor materialen en hun mogelijke combinaties, alsook voor een ruimte op zich, en voor de relaties en verbindingen die daarin mogelijk zijn. Met soms vrij eenvoudige ingrepen kan hij een ruimte samenhang en harmonie schenken.
Zijn studies in de beeldhouwkunst impliceerden echter ook de vaste opdrachten van het lessenpakket inzake het boetseren van naaktmodel en portret. Zijn meer dan levensgroot zelfportret in gips, dat deel uitmaakte van zijn afstudeerproject aan de Antwerpse academie, is uit die periode overgebleven. Het maakte deel uit van een veelomvattende installatie in twee verwaarloosde ruimten van het Militair Hospitaal in Antwerpen, die  de eerste opmerkelijke manifestatie was van Van Grimbergens talent. De installatie bestond uit meerdere afzonderlijke werken, die door hun positie in de ruimte een eenheid waren gaan vormen. Een grote houtplaat, met gips ingestreken en voorzien van twee parallelle houten latten, stond opgesteld als een schilderij op een ezel. Een fleurig versierde tak stond rechtop tegen de wand aangeleund. Een langwerpige kartonnen verpakking was rechtop gezet en uitgesneden tot een totemachtige étagère. Het zelfportret had hij bovenop een achtergelaten bureelkast gehesen, zodat het leek alsof het met enige ironie een verheven ereplek had gekregen, maar tegelijk ook voorlopig zowat uit de weg was gezet. Ook de grijsmetalen kast die als sokkel fungeerde had zekere ingrepen ondergaan waardoor ze een kunstwerk op zich was geworden.

 

    
Het zelfportret op de archiefkast en  een assemblage in gips en hout, beide 1999 

 

    
       
Twee assemblages, 1999


Na zijn studies werkte Ward Van Grimbergen jarenlang in een diepe garage nabij de Kerkstraat in Antwerpen. De ruimte raakte al gauw helemaal vol met werken, zodat hij niet verder kon zonder weer een deel te demonteren. Bij een grote productiviteit is uiteindelijk de continuïteit van het scheppingsproces op zich belangrijker dan het opslaan en in stand houden van de reeds voltooide sculpturen. Sommige elementen werden gerecupereerd in een nieuwe context en kregen zo een eigen verhaal. Maar toen hij uiteindelijk zijn garage-atelier moest verlaten zag hij zich genoodzaakt om wat hij had samengevoegd weer te ontbinden en zijn grotere sculpturen toe te vertrouwen aan de plek waar de meeste bestanddelen vandaan gekomen waren: de container.

Inmiddels  had hij het merendeel van deze werken wel her en der geëxposeerd. In 2001 nam hij deel aan de jaarlijkse groepstentoonstelling van de Antwerpse kunstenaarsgroep Placenta, samen met Caroline Coolen, Tom Liekens, Nadia Naveau, Stefan Serneels en Bart Van Dyck. Het jaar daarop exposeerde hij een hele reeks werken in het cultureel centrum ‘Bogaard’ van Sint-Truiden. Ook in 2002 werd hij uitgenodigd voor zijn eerste solotentoonstelling in Ruimte 01 te Antwerpen, en kort daarop toonde hij ook in de ‘hoofdzetel’ van Ruimte 01 te Breda enkele werken.

 

 

 

Drie werken op de tentoonstelling in Ruimte 01: Verbrandingsoven, Kubus en Concentratiekamp (2002)

 

 

 

 

 

 

 

 

   


Solipsisme

Hoewel Ward Van Grimbergen reguliere kunststudies deed aan een toch vrij gereputeerde academie en dus ook van nabij in aanraking kwam met de westerse kunstgeschiedenis en haar meest recente uitlopers, valt er in zijn werk weinig invloed van anderen aan te wijzen. Zijn sterk solipsistische instelling, die overigens typerend is voor psychische aandoeningen als schizofrenie en autisme, maakt dat hij geneigd is de dingen allereerst op zichzelf te betrekken. Hij bouwt niet voort op andermans oeuvre of andermans esthetica, en blijft weg van biënnales en documenta’s, van musea en galeries. Wat hij ook bedenkt, hij bedenkt het zelf, en als dat zekere beperkingen inhoudt, neemt hij die erbij. Hij kan dan ook niet lang aandacht opbrengen voor het werk van andere kunstenaars, en zal er niet gauw iets van overnemen. Al evenmin wordt hij geboeid door het intellectualistische discours van de conceptuele kunst met haar spitsvondigheden, parafrases en inside-jokes. Zijn wereld is klein en hij wil dat klaarblijkelijk ook zo houden. Hij verwacht ook niet dat hij ontdekt wordt en grote mogelijkheden krijgt. Jaren geleden al liet Ward Van Grimbergen zich ontvallen dat hij geen hoop koestert op geluk, faam of fortuin. Hij vergeleek zich toen met een boom met luchtwortels, waaronder niets kan groeien. Alleen door het maken van kunst kan hij een vervulling vinden, en vindt hij 't waard dat hij leeft.

 

   
    
Geraamte, 2002                                Zeepbellen-waterput, 2007

    
     
Zen 1, 2008                                       Roofdier, 2007

Zijn beeldtaal is in sommige werken heel zuiver en transparant, gebaseerd op geometrische vormen en architecturale principes. Andere werken zijn dan weer veel vrijer opgevat en ook rustelozer van karakter. Hij kan een chaotische structuur creëren die het resultaat van het toeval lijkt, en zich daarbij thuis voelen, ongeveer zoals zijn geest soms ook in chaos verkeert en dan weer tot rust komt.
In meer chaotische momenten kunnen vrij bizarre creaties tot stand komen, die voor een buitenstaander erg arbitraire titels lijken te dragen. In de rechtsonder afgebeelde ‘Kat’ zullen maar weinigen bedoeld huisdier herkennen. Welke fasen de creatie doorlopen heeft eer ze bij die vorm en die titel aanlandde, kan ook de kunstenaar zelf niet meer achterhalen. Maar doordat hij ons met grote stelligheid duidelijk maakt dat het een kat betreft gaan we het ook als een kat aanvaarden, en op de duur kan het ook voor ons haast niets anders meer zijn dan een kat.

 

   
     
Bloem, 2007                 Kat, 2006

         
Compositie, 2008                                    Hand-portret, 2007


       
Geest, 2007                                       Katvis, 2007


Het kunstwerk en zijn titel

Over de imaginaire fusie van het kunstobject met zijn titel zei Magritte dat het te vergelijken was met de namen die kinderen krijgen: aanvankelijk klinkt de naam volstrekt willekeurig, maar naarmate het kind opgroeit raakt het met zijn naam versmolten en kunnen we ons nog nauwelijks kunnen inbeelden dat het evengoed heel anders had kunnen heten. De klank van de naam raakte versmolten met een bepaalde identiteit. Mensen kunnen er zelfs een bepaald uiterlijk en karakter mee verbinden, al dan niet sympathiek. Ontmoeten ze vervolgens iemand die heel anders is maar dezelfde naam draagt, dan raken ze in verwarring.

Een naam heeft iets dwangmatigs. Hij moet aanvaard worden. Als je iemands naam niet aanvaardt, is het alsof je zijn bestaan niet aanvaardt. Vertel een kind dat Johan heet dat het liegt, dat je van andere kinderen gehoord hebt dat hij Patrick heet. Begroet hem vervolgens heel welwillend als Patrick. Johan zal eerst boos worden, dan beginnen huilen. I’m the whinin’ boy, don’t deny my name, zong Jelly Roll Morton een eeuw geleden.
En wat voor kinderen geldt, geldt evenzeer voor kunstwerken, die eigenlijk ook kinderen zijn, of vruchten toch, van iemands brein. Geesteskinderen. Ook het imaginaire beeld eist respect, en zelfs met meer recht en nadruk dan het vanzelfsprekende, voor iedereen herkenbare beeld van bv. een kat, dat zo evident is dat het geen erkenning nodig heeft.


Maakt Ward Van Grimbergen ‘outsider art’?

Omtrent het begrip ‘outsider art’ is al vele jaren heel wat te doen. Prinzhorn, de psychiater die in 1922 de mythe van het ‘buitenstaanderschap’ in het leven riep, zag het als een garantie van originaliteit en authenticiteit en dus in wezen als iets gunstigs. Vanaf de jaren 1920 waren vooral de surrealisten sterk begaan met de artistieke uitingen van geestesgestoorden, en tijdens WO II begon kunstenaar Jean Dubuffet een collectie aan te leggen van wat hij vanaf 1945 ‘art brut’ noemde.

Hij bedoelde deze term heel ruim, om niet alleen het werk van geestelijk gestoorden te omvatten maar ook dat van kunstenaars die geen artistieke opleiding hadden ontvangen en niet in voeling stonden met de kunstwereld en zijn ‘art culturel’. Zo kon ook het Palais Idéal van facteur Cheval in het Franse wijndorp Hauterives onder de art brut vallen, evenals het hypergeraffineerde en helemaal zelfgemaakte bruidskleed van een nimmer gehuwde oude dame in een afgelegen Zwitsers bergdorp, te zien in het Musée de l’art brut in Lauzanne (waar de collectie van Dubuffet uiteindelijk een definitief onderkomen vond).

Dubuffet was het met Prinzhorn eens dat het meest authentieke kunstwerk zal ontstaan bij personen die sociaal gezien een randpositie innemen, bij verstotenen en excentriekelingen die vertrouwd zijn met sociale uitsluiting en conflict, en gewend hun eigen weg te gaan. En ook dat hun uitzonderlijkheid en creatieve kracht precies hun oorsprong vinden in hun mentale onafhankelijkheid van de traditionele kunstcultuur.

In deze context gezien is Ward Van Grimbergen nogal uitzonderlijk: zijn periodisch opkomende schizofrenie maakt hem overduidelijk tot een ‘outsider’ in de maatschappij, maar desondanks slaagde hij erin een academische opleiding met succes te voltooien, waardoor hij dus niet op één lijn kan gezet worden met de geïsoleerde zonderlingen en bizarre autodidacten van de art brut.

Intussen is er een nieuwe interesse gegroeid voor ‘outsider art’,  in de hand gewerkt door meerdere succesvolle tentoonstellingen in het Gentse Museum Dr. Guislain, in het SMAK en in Geel, van oudsher een vermaard centrum van thuisverpleging en tevens geboortestad van Jan Hoet en kunstenaar Guy Rombouts. Diverse publicaties onderstrepen het belang daarvan, met als bekendste Open Mind (1989), Gestoorde Vorsten (1999) en Y-E-L-L-O-W, Actuele kunst en psychiatrie (2001). Er leeft zelfs een bepaalde mythe rond, die haar oudste wortels heeft in de vroege 19de eeuw, toen de jonge romantische schilder Géricault zich ging toeleggen op het portretteren van gestoorde individuën. Die mythe is ook best begrijpelijk: het gaat hier immers om kunst in de marge van het gebruikelijke kunstcircuit, gemaakt door mensen die weinig of niet deelnemen aan het alledaagse maatschappelijke leven. Een romantische fascinatie voor de eenzame outcast, die men spontaan een grotere authenticiteit en zuiverheid toedicht, is daar inherent aan. Het verschijnsel blijft overigens zeker niet beperkt tot België, maar is internationaal. Dubuffet heeft met zijn art brut een alternatief kunstcircuit in het leven geroepen. Maar uiteraard blijft dit veel kleiner dan het officiële, en zijn de galeries die er wel eens aandacht aan wijden op één hand te tellen. Voor kunstenaars als Ward Van Grimbergen is de weg naar erkenning nog een stuk langer en moeizamer dan voor een kunstenaar die zichzelf als ‘psychisch normaal’ mag beschouwen.

Het schizofrene ziektebeeld

Schizofrenie wordt gekenmerkt door een gestoord sociaal gedrag en een verlies van dagelijkse routines. De patiënt ervaart een inwendige wereld die zich onweerstaanbaar opdringt en hem in verwarring brengt. Hij voelt zich anders dan de andere mensen en ervaart zijn omgeving als vreemd en bedreigend. Hij kan niet meer rechtlijnig denken en slipt van het ene denkspoor op het andere. Zijn praten wordt vaag en repetitief, en bevat nog weinig informatie. Soms maakt hij ook nieuwe woorden of woordcombinaties, zodat hij nog moeilijk te volgen is. Hij wordt geplaagd door hallucinaties en hoort stemmen die negatieve commentaren geven op zijn persoon. Ook waanideeën komen vaak voor, zoals de obsessie dat anderen zijn gedachten kunnen horen, of dat zijn gedachten in zijn geest zijn gezet door iemand anders of een hogere macht. Toevallige gebeurtenissen op straat of teksten in de krant worden opgevat als boodschappen speciaal voor hem. Hij voelt zich bespied en gevolgd, en meent gestalten uit zijn verleden te ontwaren die hem iets willen zeggen.

Dit alles resulteert haast altijd in toenemende vervreemding en sociaal isolement. De schizofreen trekt zich terug in een eigen wereld, wat kan uitlopen in twijfels aan de eigen identiteit en een geleidelijk verlies van gevoelens. Doordat zijn band met de buitenwereld afbrokkelt vermindert ook zijn motivatie om nog iets uit te richten of te voltooien.

Wat schizofrenie en psychose zo bijzonder maakt is dat ze door anderen nooit helemaal voluit als een ziekte worden gezien. Het is of de patiënt grotendeels normaal lijkt en maar weinig van ‘gewone’ mensen verschilt. En als gezegd kunnen ook ‘gewone’ mensen psychotische toestanden ervaren, zij het wellicht in minder sterke mate. Een duidelijke demarcatielijn valt dus niet te trekken. Vooral kunstenaars die hun oeuvre sterk vanuit hun gevoelsleven opbouwen kunnen er veel mee gemeen hebben. Figuren die verwijzen naar de psychotische denkwereld en het ‘buitenstaanderschap’ zijn o.m. Hermann Nitsch, Günter Brus en Arnulf Rainer, of in België Thierry De Cordier, Patrick Van Caeckenbergh, Jan Fabre, Hugo Debaere en Frank F. Castelyns.

De Amerikaanse kunstenares Erika Rothenberg toonde op Documenta 9 in Kassel een mooie reeks Rorschachbeelden met daarop zinnen van schizofrenen over hoe ze zich voelen en de wereld waarnemen. In een bijhorende tekst stelde ze: 'Als u geen enkele van deze emoties hebt bent u niet menselijk. Als u ze allemaal hebt bent u schizofreen.

Paul Ilegems (November 2008)

Paul Ilegems
01.10.2008



top | 16 03 2010 00:51
print