portaal
agenda
artikels
KuDa
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact




nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
You can have it any color...


You can have it any color, as long as it’s black
Gezegd door Henry Ford in 1909 over zijn model T, de eerste auto die aan de lopende band werd gemonteerd.

Humor is een bedenkelijke, slopende en hachelijke zaak van het hoogste gewicht. De lachlust is de meest superieure en meest existentiële functie van de menselijke geest. Ik zou het nog zwaarwichtiger formuleren, als ik kon. Met humor valt niet te lachen. Het is de enige, werkelijk ernstige zaak van het leven. Wie lacht, bevrijdt zich. En aangezien het lachen elke bebi is aangeboren, bezit iedereen het potentieel zich te bevrijden. Zoals de terdoodveroordeelde, die men struikelend op de trap naar het schavot in zichzelf hoorde mompelen: ‘Dat begint goed’. Of als de anoniem gebleven, zwaar gewonde soldaat die op de vraag van de veldarts of hij pijn voelde, tot antwoord gaf: ‘Alleen als ik lach’ (Only When I Larf - in 1968 koos Len Deighton deze zin als titel voor een van zijn romans, later verfilmd).

Humor houdt de mensen staande in de meest pijnlijke en onverbiddelijke omstandigheden. Er is humor in de Goelag, in Auschwitz-Birkenau en op Death Row. In zulke oorden, waar een van staatswege bevorderd overlijden een mogelijkheid van alledag is, is humor zelfs onmisbaar. Vaak betreft het een humor die door buitenstaanders nauwelijks nog te bevatten valt, gebaseerd als hij is op allerlei gruwelijke incidenten die alleen de betrokkenen zelf bekend zijn. En als je maar genoeg kampverhalen en holocaustboekjes leest, kom je er vanzelf achter wat die humor zo bijzonder maakt: de gebruikelijke normen van de samenleving zoals beleefdheid, eerbied, schaamte, zelfrespect en mens-zijn-met-een-streepje-ertussen, worden in die oorden heel rekkelijk opgevat - of nog heel smal. En zulke situaties bestuderend, ontdek je dat deze humor in feite het fundament is van alle humor. Dat wie die humor niet kan vatten, geen enkele humor zal bevatten - waarmee evenwel niet gezegd is dat hij niet tot lachen in staat is. Wat ons meteen tot de eerste paradox brengt: ook mensen die geen gevoel voor humor bezitten, lachen. En vaak het hardst.

Wie lacht, bevrijdt zich, en pas als de humor geen enkele beperking meer kent en even vrij is als de menselijke geest, kan hij zich ten volle ontplooien. Toch dient die vrijheid – en dit is de tweede paradox - gebonden te zijn aan zekere regels en beperkingen. Humor kan niet zonder een maatschappelijk en moreel houvast. In een toestand van complete chaos en anarchie kan geen enkele grap nog gedijen. Humor heeft dus normen nodig, maar alleen om ze te overschrijden. En dit is de enige vrijheid die humor verlangt.

Er was een tijd dat humor ernstig werd genomen. Die tijd heeft bijzonder lang geduurd. Overschrijding van de normen werd niet geduld. Wie grapjes maakte werd goed in ’t oog gehouden, en het lachen kon hem snel vergaan. Zelfs de hofnar mocht niet álles zeggen. Mensen van enig gewicht vonden het beslist niet normaal dat ze bespot werden, zoals vandaag, en waren zeker niet bereid eraan mee te werken, ook zoals vandaag (men herinnere zich de premiers-in-spe Yves Leterme en Johan Vande Lanotte met opgeplakte baarden op zender 1 bij Debbie en Nancy, voorjaar 2007).

“De rest van het verhaal kennen jullie,” zei oom Wim.
Vanaf 1960 lanceerde de redactie van het Franse maandblad Hara-kiri (hoofdzakelijk bestaande uit Cavanna, professeur Choron, Wolinski en Reiser) een niets ontziende aanval op alle heilige huisjes van de Franse samenleving, om ze één na één te slopen. In Nederland maakte Wim T. Schippers in 1967 grote ophef toen hij als wereldprimeur blote borsten op het scherm bracht, en vanaf 1971 schokte hij heel weldenkend Nederland met zijn extreem platvloerse Fred Haché-show, waarin zelfs een dubbelgangster van koningin Juliana werd opgevoerd. In Engeland kwam vanaf 1969 het absurd-satirische Monty Python’s Flying Circus op de BBC, dat alle Britse normen en waarden onderuithaalde en het in 1977 zelfs bestond een perfecte look-alike van Queen Elisabeth openbaar te verkopen op Saturday Night Live. En in België… neen - in België gebeurde niets van die aard. Wél kochten de brave Belgen de nummers van Hara-kiri die in Frankrijk in beslag genomen waren, en staarden ze met open mond naar de programma’s van de Britse en Hollandse televisie.

Het gevolg van dit alles is dat we vandaag haast geen ongeoorloofde humor meer kennen. Iedereen mag ongeremd en ongestraft spotten met koning en paus, Jezus en Mohamed, het Opperste Gerechtshof, de minister van landsverdediging, de burgemeester en de wijkagent. Zelfs de stok achter de deur is door een grappenmaker meegenomen en in de chauffagekelder gegooid. Wie toch een klacht indient maakt een kleingeestige en verwaande indruk en loopt het risico zich een tweede keer belachelijk te maken, want het recht op vrije meningsuiting staat vandaag veel steviger en dekt ook karikatuur, pastiche, parodie en satire. Zelfs vreemde staatshoofden beledigen die hier op bezoek komen, is geoorloofd. De wet die dat verbood werd in 1985 voor de laatste keer ingeroepen, toen paus Wojtyła ofte Johannes-Paulus II naar België kwam, om vervolgens in 2005 in alle stilte te worden afgeschaft.

Twee mooie momenten waar de zin tot censuur tot het uiterste werd uitgedaagd wil ik hier even pluggen. Nummer één is de film ‘How I won the War’ uit 1967 van Richard Lester, veruit de zwartste film ooit gedraaid. Het gaat over de Tweede Wereldoorlog, meer bepaald de Britse rol daarin, die naar de vaste overtuiging van elke Brit alleen maar glorieus kon geweest zijn. Lester gaf echter een heel ander beeld, en oogstte zo’n verwoed protest van oudstrijders en patriotten, dat de film in meerdere zalen voorzichtigheidshalve uit roulatie werd genomen. De film navertellen of samenvatten is onbegonnen werk. In essentie gaat het over een onsamenhangend groepje Britse burgers die worden opgeleid om ten strijde te trekken tegen Nazi-Duitsland. Onder leiding van een jonge en zeer onervaren officier komen ze in de woestijn terecht, om daar een cricketveld aan te leggen. Bij allerlei domme ongelukken komen ze één na één vergeefs en volstrekt roemloos om het leven, waarna ze echter gewoon blijven meetrekken met de troep, zij het dan als stomme getuigen, die van kop tot teen een bepaalde kleur hebben aangenomen. Qua humor bespeelt Richard Lester hier het volledige gamma, gaande van de meest debiele slapstick tot het schrijnendste cynisme, en dit alles op een zo nerveuze, hyperkinetische toon, dat je na afloop het gevoel hebt er maar de helft van te hebben gevat. Lester en zijn scenarist Charles Wood verklaarden achteraf: ‘Als een man uitglijdt over een bananenschil vinden we dat grappig. Als hij daarbij zijn been breekt vinden we dat niet meer grappig. Wij hebben hem beide benen laten breken.’

 

  
      
Twee stills uit How I Won The War van Richard Lester, 1967


Het tweede moment situeert zich drie jaar later in Frankrijk. In de nacht van halloween 1970 kwamen daar in het dorpje Saint-Laurent-du-Pont niet minder dan 146 jongeren om bij een verwoestende brand in een dancing. Een katastrofe die heel Frankrijk in diepe verslagenheid dompelde. Een week later moest het land een tweede zware slag incasseren, en opnieuw verschenen alle kranten met dikke rouwranden: Charles de Gaulle had de geest gegeven in zijn geliefde Colombey-les-deux-Eglises, het dorpje waar hij al sinds de oorlog woonde. Voor het conservatieve deel van Frankrijk was de ex-president een symboolfiguur die alle traditionele waarden belichaamde, een oorlogsheld en redder des vaderlands. Het mocht allemaal niet baten. Het links-anarchistische weekblad Harakiri-Hebdo vond er niet beter op dan beide gebeurtenissen gewoon in één kop te combineren. De simpele, elke tabloid uitdagende frontpage leverde in zijn onderkoelde bespotting een ongezien staaltje van zwarte humor, dat als volstrekt onverteerbaar werd gezien. Het blad werd onmiddellijk in heel Frankrijk uit de rekken gehaald en kreeg een permanent publicatieverbod opgelegd. De week daarop werd Harakiri-Hebdo als Charlie-Hebdo herboren.

 


 
De laatste Hara-kiri hebdo, 16 november 1970

 

De vrolijke kunstgeschiedenis

Nogal wat mensen geloven dat humor in de beeldende kunst iets van de twintigste eeuw is. Voordien had je alleen maar madonna’s met kind, kruisigingen en martelingen, slagvelden, portretten en stillevens, waar nooit wat bij te lachen viel. “Hooguit had je wat boertigheden bij Bruegel en Teniers,” zeggen ze dan, “en satirische prenten bij Goya en Daumier. Maar pas bij Dada is de humor echt begonnen. Toen had je opeens de intellectuele, nihilistische humor van Duchamp en Picabia, en het bijtende venijn van Dix en Grosz. En nog iets daartussenin met Schwitters. En voilà. Of dat een goede zaak was of een slechte, valt nog te bepraten, maar feit is dat nadien de humor niet meer te stoppen was.”
Een mooie these, ware het niet dat deze mensen zich vergissen. Ik zal het Grote Geheim hier maar meteen verklappen: de kunst is nooit ernstig geweest.

Al in de prehistorie had je types die wat slimmer waren dan de rest. Die zeiden: “Gaan jullie maar mooi een mammoet verschalken, wij zorgen hier wel even dat de jacht een succes wordt, en dan geven jullie ons achteraf de fijnste stukjes als beloning.” En meteen begonnen ze te dansen, te zingen en magisch te doen. Ze schilderden beesten op de rotswand, ze lazen de tekenen en spoedig was iedereen ervan overtuigd dat deze stamleden een hogere kennis hadden en respect verdienden. De eerste kunstenaars begonnen hun bestaan als charlatans.
Toen wat later de beschaving intrad werd het er niet beter op. Al lang verveeld als magiër op te treden en steeds weer dezelfde flauwekul uit te kramen, lieten de kunstenaars het begeesteren van de troep aan volgelingen en assistenten over. Spoedig gingen die een aparte kaste vormen die niets anders meer deed dan duiden en verklaren, prevelen en voorspellen.
Dat die kaste zich snel uitbreidde en aan invloed won, kon de kunstenaars weinig deren. Ze waren zich immers ten volle bewust van hun onmisbaarheid om Het Hogere gestalte te geven, en om in te staan voor het broodnodige decorum en prestige. Want geen piramide of tempel werd ooit gebouwd, geen monument of wandschildering ooit vervaardigd, of er kwamen kunstenaars aan te pas. Je had ze in vele soorten, maar allen hadden ze één ding gemeen: ze waren niet makkelijk te vervangen.

Vanuit deze comfortabele positie legden de kunstenaars zich erop toe, de machthebbers op aimabele wijze naar hun hand zetten. Als mooie meisjes lieten ze zich vleien en speelden ze hard to get. Ze overleefden godsdienstoorlogen en revoluties, en zelden of nooit werd één van hen mishandeld of geëxecuteerd. Waar de grond heter wordt treedt de kunstenaar in de schaduw en houdt zich buiten schot. Temidden van eindeloze malversaties en corruptie, onrecht en bloedvergieten houdt hij zich mooi overeind en maakt zelf geen slachtoffers. En nooit in de geschiedenis heeft een kunstenaar de macht gegrepen.

Zo bleef het tot vandaag. De bekende kunstenaars leven in welstand en staan op vertrouwde voet met de machtigen der aarde, die het als vanouds onontbeerlijk blijven vinden zich met kunstenaars en hun werken te omringen, en onderling rivaliseren om de besten naar zich toe te halen.

Kan kunst de wereld redden?

Het was een rijkelijk pathetische, zelfs belachelijke vraag, die ons in 1993 overal op straat werd voorgelegd. Je wordt immers net kunstenaar vanuit het frustrerende besef dat je op de wereld en zijn voortbestaan geen enkele vat hebt. Ook was de vraag eigenlijk slecht gesteld, want iedereen weet best dat de wereld met al zijn fleurige bloemen en bizarre insecten helemaal geen redding nodig heeft en nog geruime tijd blijft voortbestaan nadat de mens is uitgestorven. En dat het geen eeuw duurt eer de meeste sporen van de beschaving al mooi door de natuur zijn toegedekt en er overal bomen uit de huizen groeien (overigens een grappig zicht).
Men zal dus wel het redden van de mensheid hebben willen bedoelen, maar dat is dan weer kitsch, zoals elkeen met enig artistiek besef meteen inziet. Het is zelfs zo’n storende gedachte, dat de vraag rijst of je de mensheid wel zou willen redden, gesteld je er de macht toe had. En precies in het besef dat de mensheid reddeloos is, vindt het kunstenaarsschap zijn wortels. Om net dít nog eens duidelijk te zeggen. Of om te suggereren hoe het misschien anders had gekund.

En net daarom is kunst ook zo vaak afstotend en brutaal-dom. Net daarom is Picabia nog steeds aan de orde, die kunst omschreef als ‘the useless, the unaesthetic, the unjustifiable’. Net daarom is kunst vandaag een roekeloze woede-aanval, om alle valsheid en verlakkerij van de wereld weg te lachen.
Of net daarom maken zoveel kunstenaars vandaag van die trage, ongrijpbare en niet-recupereerbare dingen, die al uiteenvallen als je er de hand naar uitsteekt. Net daarom is kunst zo triest-verfijnd, lullig en onopvallend. Net daarom is kunst een gat in de grond waar je inkruipt om je met blaren toe te dekken. Dat is allemaal geel hoed, zolang maar duidelijk wordt dat kunstenaars geen humanisten zijn, geen pastoors of logebroeders, geen lakeien of entertainers.

We verwarren gemakkelijk schoonheid met humor, omdat ze allebei erg subtiel zijn en uitgebalanceerd, een speelsheid bezitten en een innerlijke tinteling teweegbrengen, of een gevoel van herkenning ook, een plotse rust die je opeens overkomt en een illusie van wijsheid schenkt.
Maar om een of andere reden vinden we wat mooi is, nooit lachwekkend. Misschien omdat lachen iets beschamends heeft? Wat valt er eigenlijk te lachen? En hoe dom is wel iemand die lacht?
Schoonheid onthouden we, het lachen wordt vergeten. De lach fungeert als een soort hersenspoeling. Je lacht, en weet even later niet meer waarom. De fratsen van de clown, de kostelijke moppen van nonkel Jos, de laatste grandioze sketch van Jacques Vermeire: de hersenen spoelen het meteen door en vrijwel niets blijft in de herinnering. En misschien maar goed ook.
Maar schoonheid, de tweelingzus van humor, blijft lang in het geheugen, al brengt ze nauwelijks een lachspier in beweging. Hooguit zie je sommigen rondlopen met een verstard en ietwat stupied glimlachje, waardoor ze opeens iets weg hebben van Geert Bourgeois.

(tekst bij de tentoonstelling ‘A Meeting between the Tragic and the Funny’ van curator Lieven Segers, in het Antwerpse Hessenhuis)

Paul Ilegems  (Oktober 2008)

Paul Ilegems
01.10.2008



top | 15 03 2010 19:42
print