portaal
agenda
artikels
KuDa
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact




nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Iemands stem, niemands stem en 100.000 stemmen
Omtrent oraliteit en polypoëzie aan de dageraad van de 21ste eeuw

 

(…) les quatre coins de la conscience de l'Homme où nichent le son, le geste, la parole et le souffle qui crache la vie.'
Antonin Artaud 

 

 

Inademen 

 

Luigi Pirandello beschrijft in Uno, nessuno e centomila (Iemand, niemand en 100.000) uit 1926 hoe de hoofdpersoon Vitangelo Moscarda een letterlijk volledige identiteitscrisis doormaakt. Oorzaak is een schijnbaar terloopse opmerking van zijn vrouw :

 

'Wat doe je ?' vroeg mijn vrouw, toen ze me ongewoon lang zag treuzelen voor de spiegel.  'Niets', antwoordde ik, 'ik kijk hier, in mijn neus, in dit neusgat. Als ik er op druk, doet het een beetje zeer.'  Mijn vrouw glimlachte en zei: 'Ik dacht dat je stond te kijken hoe scheef hij staat.' [2]

 

Vanaf dat moment wordt de spiegeling van zichzelf een obsessie. Samen met de gedachte dat hij 100.000 anderen is via de blik van andere mensen en dat die idee hem tegelijkertijd niemand maakt.

Vraag is nu of Moscarda eenzelfde crisis zou gehad hebben, moest zijn vrouw hem er op gewezen hebben dat zijn stem wat genepen klonk. Indien ja blijft de vraag of het boek dan eenzelfde succes gekend zou hebben. De westerse cultuur is nu eenmaal heel erg visueel ingesteld.

 

Als de stem al ter sprake komt in het boek waar Pirandello vijftien jaar aan werkte, dan is het om onbetrouwbare aspecten in ons communicatiesysteem aan te halen:

 

'Maar de ellende is dat u, mijn vriend, nooit zult weten hoe dat wat u zegt in mij vertaald wordt, en dat zal ik u ook nooit kunnen uitleggen. U sprak geen Turks, nee. Wij, u en ik, maakten gebruik van dezelfde taal, dezelfde woorden. Maar treft ons enige blaam, u en mij, als de woorden op zichzelf leeg zijn ? Leeg, mijn beste. En u legt uw betekenis erin terwijl u ze tegen me uitspreekt, en ik leg, terwijl ik ze in me opneem, onvermijdelijk mijn betekenis erin. We dachten dat we elkaar volledig begrepen: maar we hebben niets van elkaar begrepen.' [3]

 

 

 

 

Het spreekt voor zich dat de stem op meer gebieden kan communiceren dan alleen op woordelijk-semantisch gebied.  Als we een paar zaken op een rijtje zetten betreffende het stemgebruik aan het begin van de 21ste eeuw, kunnen we wellicht niet anders dan besluiten dat we te maken hebben met iemands stem, niemands stem en 100.000 stemmen.

 

Om dit te verduidelijken dienen twee aspecten verder belicht te worden die opvallen aan het begin van de 21ste eeuw: de impact van multimedia en de schijnbare terugkeer van een oraliteit. Deze verduidelijking brengt meer vragen met zich mee dan antwoorden, maar het loont wellicht de moeite de vragen eens uit te spreken.

 

  

Een multimediale stem

 

De Franse dichter Guillaume Apollinaire werd in december 1913 op zijn eigen stem gewezen in de Parijse Sorbonne. Hij kreeg immers de gelegenheid voor het eerst een sonore opname te maken van een aantal van zijn gedichten. De man was gevoelig genoeg om door te hebben dat het een gebeurtenis betrof die even verregaande gevolgen had als de neuskwestie bij Moscarda.

 

Jean-Pierre Bobillot spreekt van de impact van de geboorte van een audiosfeer en van een bepalend moment waarop Apollinaire beseft dat er nieuwe spelregels gelden in het mechanische en later elektronische tijdperk.

 

Apollinaire bekent in die context:'Comme je fais mes poèmes en les chantant sur des rythmes qu’a notés mon ami Max Jacob, j’aurais dû les chanter comme fit René Ghil, qui fut avec Verhaeren le véritable triomphateur de cette séance.'[4]

 

Bobillot concludeert hieruit: 'Qu’est-ce à dire sinon qu’il se reproche, après-coup, de n’avoir pas su tenir compte de la spécificité de la technique et du support auxquels il se trouvait soudain confronté ? Ils lui auraient en effet permis d’intégrer au poème lui-même tout ce que la typographie et le papier, par leurs caractéristiques conjuguées — que relayait une diction par trop convenue, réduite à une illusoire oralisation de l’écrit —, en excluaient : sa propre « enveloppe » intonative, sa corporéité phonatoire, sa dynamique. Ou en d’autres termes : sa venue, que la page imprimée et la parole socialisée tendent à évacuer, solidairement, à l’exclusif profit de la tenue morpho-syntaxique de l’énoncé — et de son contenu. Ce pourquoi, très précisément, il avait décidé in extremis de supprimer toute ponctuation sur les épreuves d’Alcools.'[5]

 

 

Polypoëzie

 

Moest Apollinaire aan het begin van de 21ste eeuw nog steeds tot de levenden behoren, had hij wellicht niet geweten waar te beginnen. De evolutie binnen de multimedia heeft zich op een dusdanig tempo voltrokken dat het moeilijk wordt de implicaties ervan te verwerken laat staan consequent toe te passen op het poëtische medium. Tot op de dag van vandaag heeft het merendeel van de dichters de 19de eeuw nog steeds niet verwerkt en het inzicht van Apollinaire en co blijft dus nog steeds een actueel onderwerp. De breuk tussen de niet te stuitende woordenvloed die de eigen tijd niet onder ogen en oren wil zien en tussen de multimediale poëtica is immens. Er zijn in Europa slechts een handvol dichters die op een zinvolle en relevante manier de verworvenheden van het digitale tijdperk toepassen. Als niet op technisch gebied, dan wel op het gebied van het denken. Die scène waar dat alvast ten dele wel in gebeurt werd in eerdere artikels[6] 'polypoëtisch' genoemd. Die term is volkomen overbodig in die zin dat er alleen maar 'poëzie' bestaat, maar is noodzakelijk in het discours om verwarring te voorkomen, poëzie wordt immers te vaak met het (geschreven) Woord vereenzelvigd.

We mogen echter niet de fout maken multimedia enkel toe te passen op nieuwe media. Of zoals filosoof Bart Vandenabeele terecht opmerkt:

 

Het eenzijdig toespitsen van de problematiek van nieuwe media in de kunst op nieuwe Westerse technologieën is bovendien etnocentrisch: het gebruik dat Chris Ofili van olifantenuitwerpselen maakt in zijn werk, of dat de arme Huichol Indianen van kraaltjes uit Tsjechië, Slowakije en Japan maken om hun maskers te vervaardigen, is minstens even veel (of even weinig) een probleem van multimedia als de video- of mediakunst à la Bill Viola of Pipollitti Rist.[7]

 

Hij komt dan ook tot de conclusie dat de vraag niet luidt 'hoe ziet kunst eruit in de cyberspace of de hyperwerkelijkheid', maar 'hoe verandert de cyberruimte de productie en receptie van kunst in onze wereld'.  Het blijkt echter niet makkelijk om met enige zekerheid te weten te komen welke stem(men) je hoort in de bewuste cyberruimte.

 

 

Een virtuele stem

 

 

 

De stem heeft tegenwoordig geen adem meer nodig, alleen bits. Het elektronisch-digitale lichaam is alomtegenwoordig en tegelijkertijd lijken slechts weinigen het op te merken.

 

Een eerste vraag is of de tweedeling die Heidegger maakte en die Albert Borgmann overnam in Technology and the character of contemporary life ook hier geldt[8]. Wordt de stem niet meer als ding gezien, maar als device, als apparaat ? Zoals we vergeten dat het niet echt normaal is dat er water uit de kraan komt of dat we aan 120 kilometer per uur over schijnbaar oneindige asfalten wegen kunnen scheuren. Is het mogelijk om het contact met de eigen stem te verliezen ? Om de stem enkel als apparaat te beschouwen ? Zoals men kant-en-klare producten wenst (koste wat het kost, maar liefst goedkoop), zou men dan ook een kant-en-klare stem wensen, zonder engagement, zonder draagkracht, maar efficiënt om producten te verwerven.  Het verdwijnen van de stem als ding hangt samen met de opkomst van het virtuele lichaam. De stem is immers niet enkel het apparaat om semantische boodschappen mee over te brengen (daar is het biologisch gezien niet eens voor ontworpen).  Joke Dame schrijft daaromtrent in haar studie over het 'zingende lichaam' in casu uitgaande van gezongen frequenties:

 

De spanning van de stembanden, van de keelholte en het strottehoofd, dat wil zeggen: de fysieke inspanning die verricht moet worden om een toonhoogte te produceren, is zeker zo kenmerkend. Hetzelfde geldt voor de resonantieholten. De bouw van neus-, keel- en mondholten is van grote invloed bij de bepaling van een stem. Met andere woorden, je hoort niet alleen een bepaalde frequentie, je hoort ook een lichaam. Barthes zou zeggen: je hoort vooral een lichaam.[9]

 

 

 

 

Een tweede vraag stelt zich op het gebied van communicatie. Welke boodschap draagt een virtuele stem ?

 

 

"Hello. This is Gina. I'm online right now, but if you leave a message, I'll get back to you." That's what you'll hear if you call me while I'm on the Web.[10]
 

 

 

Terwijl je in stilte een virtueel lichaam schept, geeft je digitale stem telkens weer dezelfde boodschap door. Dat die stem meer en meer impact zal krijgen is duidelijk, want er is geld mee gemoeid, veel geld.  Coppercom, een bedrijf uit Florida opgericht in 1997 en gespecialiseerd in VoB (Voice over Broadband) solutions en netwerktechnologie, stelt het als volgt in een zogenaamde White Paper:

 

Eight of every ten dollars earned by carriers in the US is earned on voice services of some sort. For the local exchange carriers, voice is such a dominant revenue source that even voice custom calling features earn more revenue than all data services combined. Given such a large voice revenue stream, even data-centric carriers would have to expect to offer voice services to maintain a competitive position in the face of multi-service discount policies. Yet some have said that in the network of the future, voice will be a free premium given to attract data customers.[11]

 

Dergelijke in wezen zwijgende virtuele stemmen zijn er alvast genoeg. De ervaren chatter weet knap gebruik te maken van allerlei emoticons, maar kan er zelf compleet onbewogen bij blijven en kan niet achterhalen of het bewuste emoticon ook met dezelfde daadwerkelijke emotie wordt beantwoord. De vaak androgyne elektronische stem spreekt of zingt voor een anoniem publiek. In dat grijze publiek vind ieder individu echter dat de stem voor hem of haar specifiek klinkt. Net zoals ook tv, film en aanverwanten een schijnbaar persoonlijke boodschap overdragen. In wezen eenzelfde effect dat ook boeken hebben.

 

Er lijkt dus niet veel nieuws onder de zon wat de zwijgende stem betreft. Is dit ook zo wat de klinkende stem aangaat ?

 

 

Vox antiqua = Vox nova ?

 

 

 

De menselijke stem kan zich niet loskoppelen van de notie van geschiedenis. We spreken van een orale traditie[12], maar in welke mate betreft het een rechte lijn ? Het spreekt schijnbaar voor zich dat we niet meer in de tijd leven van Beowulf, de sprookjes van Duizend-en-één-nacht, het Chanson de Roland of Homeros' Odysseus. De drukbezochte recente Hollywoodproducties van Troy en The 13th Knight en de Disneytekenfilm Aladdin zijn echter maar een paar uitingen van het tegendeel. Verhalen (in welke vorm dan ook) zijn nooit weggeweest en zullen wellicht ook nooit verdwijnen zolang de mens diens eigen stem nog hoort. Of zoals filosoof Karel Boullart stelt:

 

Wij zijn kinderen in het donker die een lichtje aansteken, niet om de duisternis te verdrijven (dat zal niet lukken) maar om onszelf wijs te maken dat ze er niet is. Het 'Ding an Sich' is onbekend en kan niet in het weten worden opgesloten. Het gevolg lijkt te zijn dat wij onszelf en de wereld enkel kunnen vastpakken en begrijpen als wij er verhaaltjes over vertellen.

(…) Wij zijn op vertelsels aangewezen omdat wij sterfelijk zijn en omdat wij dat weten. [13]

 

Het feit van de continue aanwezigheid van grote en kleine verhalen is natuurlijk niet echt de meest doorzichtige situatie. In de 21ste eeuw is alles tegelijkertijd aanwezig, alle tegendelen leven met elkaar en heffen elkaar in die zin dan ook op: het geloof in god en goden en het verwerpen ervan, het geloof in wetenschap en het verwerpen ervan, de meest doorwrochte kunstmuziek en de meest banale popmuziek om maar een paar voorbeelden te noemen.

 

Hoor de enkeling zijn eigen stem nog in deze wirwar ? Hoort hij of zij de stem van anderen ? Hoeveel anderen ? Hoeveel stemmen kan je verwerken als enkeling ?

 

Is het niet de gebroken, gesmoorde of vermenigvuldigde stem van de polydichter die deze vragen verwerkt of juist niet verwerkt in polypoëzie ? Is deze manier van ageren op het huidige klimaat niet een hedendaagse vorm van incantatie, van het weven van rode draden doorheen een schijnbaar onontwarbaar web ?

 

 

Wie hoort stemmen ?

 

 

 

Een stem ontstaat als het ware keer op keer opnieuw. Iedere keer we iets oraal (auraal) uiten is het eerder onvoorspelbaar wat het resultaat zal zijn, het zal hoedanook iets anders zijn. Of zoals Friedrich Nietzsche het stelt in het 333ste aforisme uit Menschliches, Allzumenschliches:

 

 

Gefahr in der Stimme.-Mitunter macht uns im Gespräch der Klang der eignen Stimme verlegen und verleitet uns zu Behauptungen, welche gar nicht unsren Meinungen entsprechen.[14]
Friedrich Nietzsche 

 

 

Net zoals het deconstructivisme een veelheid aan stemmen ontwaart in een tekst, kunnen we vanzelfsprekend ook spreken van een veelheid aan stemmen in het sonore domein. Een veelheid die, naar Marcel Cobussen en Jacques Derrida, niet gereduceerd kan worden tot een polyfonie of een polytonaliteit:

 

The desire for a transparant voice is a dream, an illusion. Every general Verstimmung at aal times interrupts a familiar harmony.[15]

 

Wie hoort welke stem(men) temidden deze onharmonische brij ?

 

De stem van de ene god zou aan het begin van de 21ste eeuw de stem van niemand zijn, maar voor 100.000den is die stem heel erg klinkend. Met de stem van de ene Dichter is het ook zo gesteld: niemand gelooft er in, maar ze klinkt wel overal. De stem van Apollinaire is de stem van iemand, maar met welke draagkracht ? Ligeti, Xenakis, Penderecki en tal van andere componisten hebben de stemmen van 100.000 in hun composities gevat of is dat nu net de stem van de ene componist ? De virtuele stemmen die zweven doorheen het ethernet krijsen in hun zwijgen of zijn ze net de neuronen en zenuwbanen van een denkende wereld ? Is de zogenaamde 'terugkeer van het subject' de terugkeer van iemand/niemand temidden de 100.000 ?

 

Zijn de stemmen in de polypoëzie (ruim geïnterpreteerd) niet de stemmen van iemand, niemand en 100.000 tegelijkertijd ? 

Uitademen

 

Laten we dit vraagstuk schijnbaar eindigen met een fictieve (al dan niet waanzinnige) dialoog tussen Luigi Pirandello en Antonin Artaud.

 

Artaud:

 

'L'homme entier, l'homme avec son cri qui peut remonter le chemin d'un orage, pour l'Europe c'est de la poésie, mais pour nous, qui avons une idée synthétique de la culture, se mettre en rapport avec le cri d'un orage, c'est retrouver un secret de vie.'[16]

(…)

'Or je dis justement que la vie doit revivre dans la métaphysique, et cette attitude difficile, qui affole les gens d'aujourd'hui, est l'attitude de toutes les races pures qui se sont toujours senties à la fois dans la mort et dans la vie.

C'est pourquoi la culture n'est pas écrite, et que, comme le dit Platon: "La pensée a été perdue du jour où une parole a été écrite."

Ecrire c'est empêcher l'esprit de bouger au milieu des formes comme une vaste respiration. Puisque l'écriture fixe l'esprit et le cristallise dans une forme, et, de la forme, naît l'idolâtrie.

Le vrai théâtre comme la culture n'a jamais été écrit.'[17]

 

Pirandello:

 

'Dat is voor mij nu de enige manier om te leven. Opnieuw geboren worden, keer op keer. Verhinderen dat mijn gedachten opnieuw aan het werk gaan en binnenin mij weer de leegte van ijdele constructies opbouwen.

(…), ik sterf elk ogenblik, en word weer geboren, nieuw en zonder herinneringen: levend en compleet, niet langer in mezelf, maar in alle dingen buiten mezelf.'[18]

 

En misschien, lontano:

 

Hoort u dan niets ? Hoort u dan niet die verschrikkelijke stem die langs de hele horizon schreeuwt en die men gewoonlijk de stilte noemt ?[19]

 

 


Tekst: Jelle Dierickx

Meer informatie: www.kriki.be
 Reageer op dit artikel
Geluidsfragmenten
afdrukken

 

Bronnen

Artaud, A., Le Théâtre et les dieux, in Messages révolutionnaires, Gallimard, Parijs, 1971, p.45 [1]

Pirandello, L., Iemand, niemand en honderdduizend, Coppens en Frenks, Amsterdam, 1988, p. 1 [2]

 Pirandello, L., Iemand, niemand en honderdduizend, Coppens en Frenks, Amsterdam, 1988, p. 39 [3]

Bobillot, J-P., Aux Archives de la Parole, Onuitgegeven essay, Bron: La Pléiade,  Gallimard, t.III, p.1493 , s.d.;later: Les Archives de la Parole en hernomen in Anecdotiques, Gallimard, s.d., pp.182-183.[4]

 Bobillot, J-P., Les poètes dans la technosphère. Petit essai de médiographie du 'sonore'., Onuitgegeven tekat van het colloquium On the sound(s) of poetry, IPEM - Universiteit Gent, 2003 [5]

Dierickx, J., What about the poetic ? Notes on the relationship between the musical and the linguistic in contemporary music culture. Proceedings FWO-symposium ‘On the sounds of poetry’, Universiteit Gent, 21 november 2003. Gepubliceerd als En het poëtische ?, in Leman, M. (Ed.), Onder Hoogspanning - Muziekcultuur in de Hedendaagse Samenleving, VUBpress, Brussel, 2003

 & Dierickx, J., Kafka’s corridors. Possibilities for research into the sound(s) of poetry, Proceedings FWO-symposium ‘On the sounds of poetry’, Universiteit Gent, 21 november 2003 [6]

 Vandenabeele, B., Multimediale kunst en interculturele communicatie, in Jaarboek voor esthetica 2002, KUB-drukkerij, Tilburg, 2002 [7]

Tijmes, P., Albert Borgmann. Technologie en karakter van het hedendaags bestaan., in Achterhuis, H., Van stoommachine tot cyborg. Denken over techniek in de nieuwe wereld., Amo, Amsterdam, 1997 [8]

 Dame, J., Het zingend lichaam, Kok Agora, Kampen, 1994 [9]

http://www.fastcompany.com/magazine/34/pagoo.html (19/04/04) [10]

A Coppercom Technology White Paper, Virtual Voice Services: The 21th century voice paradigm, http://www.coppercom.com/, Coppercom Inc., 1999 [11]

 Zumthor, P., Introduction à la poésie orale, Editions du Seuil, Parijs, 1983 [12]

 Boullart, K., Kleine verhaaltjes, kleine vertoogjes…en de grote showbizz, in Peperstraten, F. van, ,Jaarboek voor esthetica 2001, KUB-drukkerij, Tilburg, 2004 [13]

 Nietzsche, F., Menschliches, Allzumenschliches, Könemann, Keulen, 1994, p.480 [15]

Cobussen, M., Deconstructie in muziek, Digitale dissertatie, Erasmus Universiteit Rotterdam, http://www.cobussen.com/navbar/index.html, 2002 [14]

Artaud, A., Le Théâtre et les dieux, in Messages révolutionnaires, Gallimard, Parijs, 1971, pp.41-42 [16]

Artaud, A., Le Théâtre et les dieux, in Messages révolutionnaires, Gallimard, Parijs, 1971, pp.43-44 [17]

Pirandello, L., Iemand, niemand en honderdduizend, Coppens en Frenks, Amsterdam, 1988, p. 189-190 [18]

 Büchner, G., Lenz, in Verzameld werk, International Theater Bookshop, Amsterdam, 1987, p.165 [19]


 

Jelle Dierickx
14.10.2004

info@krikri.be
http://www.krikri.be


top | 16 03 2010 12:19
print