portaal
agenda
artikels
piron
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact



nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
Grote vervalsers
Restauratie en vervalsing, kopie en appropriation art

 

 

Jef Van der Veken (1872-1964)

Bij de prominenten bevindt zich het werk van de Vlaamse kunstschilder, kunsthandelaar en restaurateur Jef Van der Veken (1872-1964), die zich gespecialiseerd had in het restaureren van de Vlaamse Primitieven en als schilder een verbluffend meesterschap had ontwikkeld. Hij staat o.m. bekend om zijn remake van het gestolen paneel van de Rechtvaardige Rechters in het Lam Gods, die hij tijdens WO II schilderde op basis van een 16de eeuwse kopie door Michiel Coxcie en een aantal zwartwit-foto's.  Het paneel is van een zodanige finesse en kwaliteit, dat men zou twijfelen of het niet echt van Jan Van Eyck is.

Twijfelachtige restauraties

Heel wat andere Vlaamse Primitieven, waaronder Rogier Van der Weyden en Petrus Christus, werden door Jef Van der Veken grondig gerestaureerd, en deze werken heeft men vandaag aan een grondig onderzoek onderworpen. De resultaten waren ontstellend. Bij middel van radiografie, pigmentanalyse, houtanalyse, infraroodreflectografie en fluorescentie kon men aantonen dat 2 werken van Petrus Christus (een Annunciatie en een Geboorte, beide aangekocht in 1983) voor 60 tot 80% overschilderingen zijn. Restaureren betekende voor Van der Veken - en niet alleen voor hem -  het herstellen van het werk in zijn oude glorie, en dit impliceerde een vérgaande vrijheid. Hij schraapte verf weg tot op het hout,  imiteerde ouderdom en slijtage, maakte valse craquelures en voegde zonodig zelfs nieuwe personages toe.

 

 

Geplogenheden die in zijn tijd helemaal niet zo ongewoon waren, want ons huidige concept van restaureren, waarbij de restauratie in de mate van het mogelijke zichtbaar en omkeerbaar moet zijn, bestond nog niet.  Het pleit voor de eerlijkheid van het Groeningemuseum dat men vandaag al deze manipulaties onthult in een mooi gedocumenteerde tentoonstelling en een uitvoerige catalogus. Vele andere werken die Jef Van der Veken en ook zijn schoonzoon Albert Phillipot restaureerden, werden nog niet onderzocht, maar reeds houden de experts hun hart vast om wat nog allemaal aan het licht kan komen.

De problematiek van de restauratie is een levensgroot dilemma, aangezien er een conflict blijft bestaan tussen wetenschap en commercie.  De wetenschappelijke restauratie is niet altijd naar de zin van de kunsthandelaars, veilinghuizen, antiquairs en verzamelaars, die immers de voorkeur geven aan een werk dat er zowel authentiek als intact uitziet, en wat graag de ogen sluiten voor doorgedreven restauraties en zelfs lijnrechte vervalsingen.

Vaak weet men het liever niet, en waar vervalsing lijkt vast te staan kan men altijd nog twijfel zaaien.  Altijd is er wel een expert te vinden die bereid is om de handelaar gelijk te geven.

 

 

Vervalsers met reputatie

Grote kunstvervalsers als Tom Keating, Eric Hebborn, Elmyr de Hory, Clifford Irving en Edgar Mrugalla hebben een bepaald aura verworven, het aura van de meester-oplichter, met als gevolg dat hun erkende vervalsingen een bepaalde marktwaarde blijven behouden.

Een voorbeeldje: het doek Christus en de Schriftgeleerden van de Nederlandse Vermeer-vervalser Van Meegeren bracht in oktober 1996 280.000 euro op bij het veilinghuis Christie's in Amsterdam.

 

 

Oude vervalsingen

En als de vervalsingen oud genoeg zijn, vervaagt meer en meer het verschil met het origineel. Zoals bekend maakten de Romeinen ontelbaar veel kopies van Griekse beelden, die bij erg gegeerd waren. Een Grieks beeld genoot een enorm prestige, en elke rijke Romein wilde er wel een in zijn villa. Maar Griekse originelen waren zeldzaam en zeer duur, zodat de Romeinse verzamelaar meestal genoegen moest nemen met een kopie.

Of toentertijd ook bekend werd gemaakt dat het om een kopie ging, is twijfelachtig. Wat wij vandaag als Romeinse kopies beschouwen, zijn eigenlijk tegelijkertijd Romeinse vervalsingen.  De kopiisten uit de Romeinse tijd waren liefst Griekse beeldhouwers, want dit verleende de kopie toch nog een bepaalde authenticiteit.

 

 

Ze gingen net als Jef Van der Veken erg vrij te werk. Vergelijken we bv. twee Romeinse kopies van de befaamde Discuswerper van Myroon (5de eeuw vC), een beeld waarvan een dertigtal kopies bekend zijn.  De grote verschillen springen ook voor de leek meteen in het oog. Vergelijking met het origineel is niet mogelijk, aangezien het werk van Myroon (dat in brons was) verloren ging.

Wél heeft men, dank zij het bestaan van de kopies, het origineel met vrij hoge betrouwbaarheid kunnen reconstrueren, en dit is ook bij andere Griekse beelden gebeurd, zoals de Lansdrager van Polykleitos (waarvan het verloren gegane origineel eveneens in brons was).

Om een kopie te maken had men niet altijd het origineel voor ogen, en een nauwkeurig hulpmiddel als de driepuntspasser bestond nog niet. Waarschijnlijk ging men in de Romeinse tijd te werk zoals later in de renaissance, met een systeem van loodlijnen - een methode die beschreven wordt door Alberti (zie afbeelding). Ruim driekwart van de antieke ‘Griekse’ beelden die we in de grote musea aanschouwen, zijn op deze wijze ontstaan. Anders dan in het recente verleden, vermelden de musea vandaag plichtsgetrouw dat het om kopies gaat. Maar een kopie die tweeduizend jaar oud is, is haast even waardevol als het origineel.

 

 

Ook in de 20ste eeuw tieren de vervalsingen welig.  Bij Afrikaanse kunst bijvoorbeeld, of Russische ikonen, is de kans op een vervalsing negen op tien. De beroemde goudsmid en juwelier Carl Fabergé maakte rond 1900 talloze valse ikonen, die hij verkocht aan Botkin, een Russisch verzamelaar. Botkin schonk zijn valse ikonen van Fabergé aan de staat, en in de jaren 1930 verkocht de Sovjet-Unie het merendeel aan het Metropolitan Museum in New York, goed wetend dat ze vals waren.

Elmyr, die zich ‘Graaf de Hory’ noemde, vervalste Matisse, Picasso en Modigliani aan de lopende band.  In de documentaire F for Fake die Orson Welles over hem maakte, kun je hem aan het werk zien en tekent hij een geloofwaardige Matisse in enkele minuten.  Een andere grote vervalser, Clifford Irving, schreef over Elmyr een biografie.

 

 

Eric Hebborn  (1934-1996)

De Britse vervalser Eric Hebborn vervalste honderden oude tekeningen, van Raimondi (die zelf een Dürervervalser was) over Piranesi tot Picasso.  Hij publiceerde in 1991 een autobiografie, Drawn to Trouble getiteld (ook verschenen als Confessions of a master forger) waarin hij de idee bestrijdt dat de vervalser altijd de smaak van zijn tijd weerspiegelt en dus na enkele decennia door de mand moet vallen.  Zijn vervalsingen werden ontdekt in 1984 maar dat verhinderde hem niet om nadien nog grote hoeveelheden valse tekeningen op de markt te brengen.

Gevaarlijke tweestrijd

De ontmaskering is het ultieme doel van de grote vervalser.  Hij wil erkenning krijgen voor de hoge kwaliteit van zijn werk, de corruptie van de kunsthandel aan de kaak stellen, en bovenal de zogenaamde kunstkenners voor schut zetten.  Heel wat vervalsers zijn immers behept met een zekere rancune, omdat ze hun jeugddroom om zelf kunstenaar te worden niet in vervulling zagen gaan.  Zo hebben de meeste vervalsers autobiografieën geschreven en hun methodes uitvoerig toegelicht.  Hebborn werd in 1996 op straat vermoord met een hamerslag. Dit gebeurde in Rome, de stad waar hij sinds vele jaren een luxueus leven leidde.

Een andere autobiografie van een vervalser is van de hand van de Brit Tom Keating: The Fake's Progress (1976).  Hij had op grote schaal oude meesters vervalst van Titiaan tot Turner. Hij bracht een hele reeks videofilms op de markt, waarin hij demonstreert hoe je een Renoir of een Van Gogh maakt.

 

 

Edgar Mrugalla (°1938) 

De Duitse faker Edgar Mrugalla heeft naar eigen schatting zo'n 4.000 kustwerken vervalst sinds 1969, van ruim 50 kunstenaars: Beckmann, Liebermann, Picasso, Grosz, Müller, Feininger, Nolde, Seurat, Van Gogh, Kollwitz, Heckel, Kokoschka en Rembrandt. In 1988 werd hij verklikt en werkte hij samen met de politie van Düsseldorf om de werken terug te vinden. Hij werkte in opdracht van kunsthandelaars.  Hij vertelt hoe ze bij hem kwamen en zeiden: 'Ik heb weer een dom aapje met heel veel geld en het aapje wil een Picasso'.  Soms huurden ze leegstaande villa's waarin gefingeerde inboedelveilingen werden georganiseerd.

Ook België kent zijn vervalsers, zoals Hubert J. uit Molenbeek, die houtskooltekeningen produceerde van Van Lint (een schilder die zelf nooit een houtskooltekening had gemaakt).  De Standaard van 7 mei 1988 bericht dat deze tekeningen 65.000 frank per exemplaar opbrachten.
En op de grote Paul Joostens-tentoonstelling in de Antwerpse veilingzaal Campo (april 1882) waren twee valse werken te zien, die bij wijze van artistieke stunt waren binnengebracht en vervaardigd door de Antwerpse kunstenaar Camiel Van Breedam. Het selectiecomité had niets gemerkt.

Made in China

Verder heb je natuurlijk de grote Chinese kunstfabrieken nabij Hong Kong en elders. Daar schildert men  zonsondergangen, clowns, poezen, wenende jongetjes en zigeunerinnen met één ontblote borst, maar evengoed Van Goghs. Het is bandwerk, letterlijk, en een doek is af in minder dan een uur. De schilders hebben elk hun specialiteit en  signeren de werken al naargelang de bestemming: voor Engeland bv. met 'Hood', voor Italië met 'Cafieri'.  Zo'n half miljoen doeken uit Oost-Azië komt jaarlijks op de Britse markt terecht. Ook in Amerika worden ze massaal verkocht, soms tegen hoge prijzen. Zesduizend dollar voor een werk dat er hooguit tien waard is, is geen uitzondering (cfr. De Standaard, 27 dec 1991).

 

 

Digitale reproductie

De laatste stap in deze ontwikkeling is de computernamaak.  Het Canadees computerbedrijf Artagraph Reproduction Technology Incorporated maakt sinds jaren buitengewoon nauwkeurige kopies van doeken van Monet, Van Gogh, Manet, Cézanne, Gauguin, Kandinsky, enz. Er is quasi geen kleurafwijking meer, en ook geen andere verschillen die met het blote oog kunnen worden vastgesteld.  Ook de structuur van de olieverf, het onderliggende doek en de geringste craquelures worden perfect nagebootst, zodat zelfs experts het verschil niet kunnen waarnemen. Artagraph maakt deze kunstclones naar beroemde werken in musea, die in ruil aanzienlijke royalties krijgen.  Gemiddeld kost zo’n kloon 1000 euro, waarvan tot 150 euro als royalties naar het museum kan gaan. De oplage wordt beperkt gehouden en de identiteit van Artagraph is nadrukkelijk en onuitwisbaar aangegeven. 

Appropriation art

Het idee van namaak en vervalsing heeft ook heel wat hedendaagse kunstenaars aangesproken. Zo heb je de Amerikaanse kunstenares Elaine Sturtevant, die werken van Robert Rauschenberg, Frank Stella, Andy Warhol en Claes Oldenburg zeer geloofwaardig kopieerde, als een vorm van ‘appropiation art’.  Zo ook Philip Taaffe, die het op-art werk van Bridget Riley hermaakte (en dat zelfs nog iets beter deed), en de Amerikaan Mike Bidlo, die heel exact werken van Picasso en Pollock naschilderde (zie het tijdschrift Art in America, mei 1988).

In België was Jean Schwind een pionier van de appropriation art. Hij exposeerde al begin jaren 1970 in Brussel diverse valse werken van Arman, Buren, Lucio Fontana en anderen, en dit op openlijke manier.  'Des Fontana sur commande', 'Des Fontana à faire'. In 1976 liet hij zijn overlijdensbericht publiceren in nr 14 van de Revue d'Art Contemporain (Monsieur Schwind, sans profession), die een pastiche was op zijn eigen artistieke carrière.

Niet minder bekend is in deze context Luc Claessens, die in 1991 in de Gentse galerie Foncke de tentoonstelling 'Petite Parade Belge' hield met navolgingen van Marcel Broodthaers, Wim Delvoye, Panamarenko, Guillaume Bijl, Patrick Van Caeckenbergh, Jacques Charlier, Liliane Vertessen, Patrick Corillon en andere bekende hedendaagse Belgen. Bij Schwind of Claessens gaat het niet langer om kopie, vervalsing of replica, maar om een zuiver epigonisme, ironisch beoefend als kunstvorm.


Tekst van: Paul Ilegems
Foto's: Paul Ilegems

Reageer op dit artikel
afdrukken


[keer terug]

Paul Ilegems
15.06.2006



top | 04 07 2008 04:55
print