|
|

 |
|
nieuw |
kunstenaars |
educatief |
per auteur | | |
|
Bad painting in Amerika
Educational Introduction.
|
Malcolm Morley (E1931) groeide op in Londen en kwam in 1958 naar New York. Vanaf 1965 begon hij grote passagierschepen te schilderen, zich baserend op brochures van reisagentschappen of postkaartjes. Zijn beeldmateriaal is altijd secundair en triviaal. Doordat hij zich zo nauwkeurig mogelijk aan de afbeelding hield werd hij de eerste vertegenwoordiger van het hyperrealisme (door hem 'superrealisme' genoemd). De rand is wit, om de relatie tot de afbeelding te beklemtonen. Bv. het zeer bekende doek de SS. Amsterdam in Front of Rotterdam uit 1966. Hij schildert zijn werken niet met een projector, zoals de andere hyperrealisten deden, maar met een raster.
Vier jaar later al, in 1970, maakte hij zijn laatste hyperrrealistisch schilderij, op een moment dat andere schilders nog maar net met het hyperrealisme waren begonnen. De nieuwe hyperrealisten verweten hem meteen dat hij niet fotografisch genoeg was, maar te schilderkunstig, met teveel verfstructuur. Dit laatste doek is getiteld Race Track, South Africa. De tekst op het doek is aangebracht door een letterschilder. Over het doek zette hij een groot rood kruis, dat hijzelf interpreteerde als een onbewuste verwijzing naar Malcolm X, de Black Power-terrorist van de jaren 1960.
Hij parodieerde het hyperrealisme zelfs, zoals in The Age of Catastrophe (1976): een passagiersschip dat uit de haven wordt gesleept, kromgetrokken en helemaal verdraaid: een Constellation van PanAm is er bovenop gevallen.
Morley leidt een avontuurlijk en veelbesproken leven, waarbij hij gedurig blijk geeft van een polemische en kritische houding tegenover kunst en de kunstwereld. In 1972 schilderde hij bv. in publiek een kopie naar het beroemde doek van Rafaël, De School van Athene, een groot halfrond doek, dat als een schoolvoorbeeld van Bad painting kan gelden. Het schilderen werd door hem opgevat als een soort performance.
Zo probeerde hij in 1974 op een veiling in Parijs een werk van hem nog gauw te voorzien van de toevoeging 'vals'. Of hij schilderde zijn doeken in een vrachtwagen die tegenover het New York Cultural Centre geparkeerd stond, zodat iedereen hem aan het werk kon zien. Dit schilderen in publiek noemde hij 'a social sculpture' (cfr. Josef Beuys).
Recente doeken van Morley zijn felle, nonchalant geschilderde landschappen met dieren in exotische scènes. Hij exposeerde ook sculpturen van ruw gemodelleerde speelgoedsoldaatjes, tanks, kanonnen, oorlogsschepen e.d., gepresenteerd op veel te grote sokkels.
Peter Saul (E1934) studeerde schilderkunst in San Francisco en geeft les aan de universiteit van Texas (Austin). In 1960 schilderde hij kleurige, patchwork-achtige doeken met reclame-elementen en tekst, vergelijkbaar met de pop-art, maar meer schilderkunstig opgevat. Hij staat vrij dicht bij Larry Rivers, maar is grotesker, cartoon-achtiger. Stripfiguurtjes uit Popeye of Walt Disney komen al heel vroeg voor. Jean-Michel Basquiat heeft van Saul's vroege werk duidelijk wat geleerd.
Saul gaat uit van twee thema's: de moderne kunst en de misdaad, die hij allebei op een fel satirische en cartoonachtige wijze aanpakt, in de sfeer van MAD-magazine. Hij schilderde executies van terdoodveroordeelden, zoals Criminal Being Executed of Sex Deviate Being Executed (1964), om de individuele en collectieve wreedheid in beeld te brengen: het sadisme van de serial killer en dat van de bestraffende rechtsstaat. Zwarte humor en opzettelijk slechte smaak. Funk. de sfeer van de desperado-cartoonist Robert Crumb.
In de jaren 1965-72, toen de Vietnamoorlog volop woedde, maakte Saul zijn meest agressieve en politiek geladen doeken, met thema's als geweld, de strijd tussen arm en rijk in Amerika, onderdrukking en racisme.
Peter Saul: 'De vader van een van de vriendjes van mijn zoon was psychiater en had een grote bibliotheek vol 'psy' boeken, waarin, ik graag bladerde telkens ik mijn zoontje kwam ophalen. Ze schreven me in in de 'psychologische boekenclub' en gedurende ongeveer twee jaar las ik dikke, angstaanjagende volumes over maniakale gedragingen... Ik las alleen de hoofdstukken over de ziekteprocessen en niet die over het genezen. Ik had echt geen behoefte aan 'goed nieuws' over mensen die zich beter voelden en met zichzelf in het reine waren gekomen etc, etc, dat spul maakte me echt woedend.'
Een en ander had te maken met zijn jeugdervaringen in een Canadese privéschool, waar hij frequent lijfstraffen onderging en vanwege zijn naam gepest werd als jood (wat hij niet is).
Daarna, vanaf 1973, ontstonden satirische interpretaties van bekende schilderijen als Picasso's 'Guernica' (Liddul Guernica), de 'Nachtwacht' van Rembrandt, het abstract expressionisme van De Kooning of de 'Dood van Sardanapalis' van Delacroix.
In 1979 maakte hij twee Duchampparodieën: Francis Bacon Descending a Staircase en Donald Duck descending a staircase. Het doet denken aan Spike Jones die in de jaren 1940-50 bekende schlagers parodieerde.
Jean-Michel Basquiat (1960-1988) was Porto-Ricaan, geboren in een welstellend gezin in Brooklyn. Hij ontplooide al heel vroeg een opvallend tekentalent en werd daarin gestimuleerd door zijn moeder, die artistiek onderlegd was en hem al heel vroeg meenam naar diverse musea. Hij volgde een progressieve school in Manhattan en begon als 17-jarige graffiti te spuiten op treinstellen van de New Yorkse metro, onder de naam SAMO (Same Old Shit). Ook speelde hij in een Noise Band die 'Gray' heette. Zijn graffiti, meestal vergezeld van poëtisch-filosofische statements, trokken spoedig de aandacht van The Village Voice, die er een artikel aan wijdde.
Basquiat had een obsessie met snelle faam en bewonderde Jimi Hendrix en Janis Joplin, die allebei stierven van een overdosis drugs in 1970 en niet ouder werden dan 27. Ook Basquiat werd geen 28. In 1980 nam hij deel aan zijn eerste groepstentoonstelling in New York, 'Times Square Show' geheten. De show had groot succes. Heel wat beginnende talenten waren er vertegenwoordigd, zoals Jenny Holzer, Tom Otterness, Kenny Scharf, Kiki Smith en David Hammons.
Basquiat werd aanvankelijk beïnvloed door de art brut en het werk van Dubuffet. Er zijn ook duidelijke invloeden van Pollock en Twombly, en van het late werk van Picasso. Vooral van Twombly is de invloed enorm, zoals Basquiat zelf zei. Zie bv. de graffitistijl en de vele verwijzingen naar de oudheid en de klassieke mythologie. Maar anders dan Twombly is Basquiat niet verstild, poëtisch of filosofisch, maar veeleer luid en jazzy, chaotisch en nerveus.
In 1981 exposeerde hij in Milaan en in '82 nam hij deel aan de Documenta in Kassel. Zijn contact met Andy Warhol werd doorslaggevend voor zijn snelle carrière. Hij had Warhol in een restaurant enkele kleine tekeningen verkocht. Uit zijn contact met Warhol groeide een vriendschap die tot de dood van Warhol bleef bestaan. In 1984 werkten ze samen aan een reeks heel grote doeken, waarvoor Warhol een grafische ondergrond in zwartwit leverde (een krantentekst, reclamelogo, etc), waarover Basquiat dan wild te keer ging.
Een vroeg werk, Cadillac Moon, verwijst naar de aanrijding van Basquiat door een auto toen hij 7 jaar was. Zijn pseudoniem SAMO is doorgehaald en vervangen door (Hank) AARON, een zwart atleet. Ook de namen van beroemde zwarte boksers als Cassius Clay en Jack Johnson zien we in zijn werk terugkeren, evenals die van zijn favoriete jazz-musici, de beboppers uit de jaren 1940: Charlie Parker, Miles Davis, Dizzy Gillespie en Max Roach, of van rappers en hip-hoppers, en van Black Power figuren als Malcolm X en Langston Hughes. Op de vraag naar zijn thematiek antwoordde hij 'Royalty, heroism and the streets.'
Allerlei woorden op zijn doeken herinneren aan de slavernij van de zwarten en hun tweederangs positie in de Amerikaanse maatschappij: SLAVES, SLAVE SHIPS, DARK CONTINENT, MISSISSIPPI, HARLEM, GHETTO, HOLLYWOOD AFRICANS, en zo meer. Een andere frequent woord is TAR, wat niet alleen een anagram is voor 'art', maar ook verwijst naar het zwart zijn, en uiteraard naar teer, petroleum, en geld. Ook woorden als OIL, PETROL, GASOLINE en GOLD komen veel voor, net als het woord NOTARY, dat 'tar' en 'art' bevat, evenals 'no tar' en 'no art'. Maar NOTARY heeft ook met geld te maken en hangt dus samen met andere geld-woorden als ONE CENT, DOLLAR, ANDREW JACKSON, TAX FREE, ESTIMATED VALUE, 100% en REGISTERED TRADEMARK.
In zijn beelden en technieken verwijst hij overvloedig naar Rauschenberg en Larry Rivers, en naar de pop-art van Andy Warhol & Roy Lichtenstein. Hij nam bv. heel wat beelden en/of namen van cartoonfiguurtjes op, zoals Superman, Batman, Mad, Dick Tracey, Pokey, Popeye etc, evenals talloze junk food- en pop drinktermen.
Ook begon hij net als Rauschenberg met zeefdruk te werken om een onderlaag te creëren op zijn doeken, waardoor hij een dichte visuele cacofonie bereikte van beelden en teksten.
Basquiat maakte ook graag gebruik van allerlei tekens, die hij haalde uit het Symbol Sourcebook van Henry Dreyfuss (1972), een compendium van tekens en symbolen uit allerhande culturen. Nog een ander terugkerend beeld is het menselijk lichaam of skelet, en de invloeden daarop van drank, sigaretten, eten en drugs.
Zijn werk lijkt de neerslag van een haastig en nerveus betoog, waaraan hij gedurig nieuwe elementen toevoegt, chaotisch en schetsmatig, zodat het min of meer het uitzicht krijgt van een volgetekend schoolbord. Vaak krijgt men de indruk dat zijn werk een zekere waarschuwing inhoudt, maar de boodschap is gestoord en valt niet te achterhalen.
Kenny Scharf (E1958) kwam uit Hollywood en deed kunststudies in New York. Zijn werk was van bij het begin kolderachtig, kinderlijk en heel hip. Hij deed geen graffiti, maar wordt niettemin vaak met deze stijl geassocieerd, vanwege zijn vriendschap met graffitikunstenaars als Basquiat en Keith Haring.
Eind jaren 1970 schilderde hij groteske situaties in zeer herkenbare decors, bv. een vrouw in een cleane keuken met een horrormonster als huisdier, of een man die in de badkamer staat te barbecuen terwijl uit bad en wastafel kwaadaardige planten komen gegroeid, etc. Hij maakte ook collages van Amerikaanse luxe-appartementen in jaren-50-stijl, waar hij stripfiguurtjes e.d. aan toevoegde, en deed performances als stand-up comedian in de New Yorkse Club 57.
Daarop volgde een reeks jungleschilderijen met kleurige oerwouden waarin de vreemdste gedrochten rond de bomen kronkelen. Ook tv-cartoonfiguurtjes uit de Flintstones, de Jetsons, Munsters e.d. komen veel voor. Zijn beeldtaal herinnert vaak aan sf-illustraties van wonderbaarlijke planeten, of aan de absurde droomlandschappen van de Franse surrealistische schilder Yves Tanguy.
Meer recente werken van Scharf zijn driedimensioneel: de Tiki-reeks (Tiki Totémoniki, Tiki Toté, Tiki Moniki etc). Tiki's zijn opeengestapelde geometrische gezichten, afwisselend vriendelijk en boos kijkend. Scharf houdt zich nu ook met electrische toestellen bezig, zoals een televisietoestel met video, een stofzuiger of een telefoon. Die beplakt hij overal waar dat maar mogelijk is met plastieken dinosaurussen, speelgoedslangetjes en -krokodillen, vissen, kraalsnoeren, plastieken bootjes, popjes, autootjes, etc. Zijn werk is als een parodie op de Amerikaanse hang naar overladenheid en barokke kitsch.
Julian Schnabel (E1951) is wat meer Europees gericht. Hij studeerde in Texas, maar reisde veel rond in Spanje, Italië en Duitsland. Hij bezocht de ateliers van Beuys, Kiefer en Polke, en vooral van deze laatste onderging hij een bepalende invloed. Veel van Schnabel's schilderijen doen rechtstreeks aan Polke denken en zijn soms zelfs niet van Polke's werk te onderscheiden. Net als Polke is Schnabel onvatbaar en zeer divers. Hij verandert dus heel gemakkelijk van stijl en springt vlot over van figuratief naar abstract.
Soms oogt het wild en chaotisch, zoals bv. De Onverwachte Dood van Blinky Palermo in de Tropen (Blinky Palermo was een leerling van Beuys die plots overleed op Sri Lanka; Schnabel had hem ontmoet). Andere keren is het heel sober en geësthetiseerd. En net als Polke experimenteert hij graag en schildert hij soms transparant op de wijze van Picabia, of op zeer diverse dragers als zijde, behangpapier, jute of dierenhuiden. Ook incorporeerde hij stukken hout, kapotte schoteltjes, touwtjes, auto-onderdelen en zo meer als collage-elementen.
Recent werk gaat over de barok in Spanje, en verwijst nadrukkelijk naar het katolicisme, het chiaroscuro van Caravaggio en Ribera, e.d. Zo lijkt Schnabel meer en meer nostalgisch, in een excentrieke religieuze sfeer. Hij sluit zich af voor zijn eigen tijd en fantaseert over het verleden. Hij schildert Latijnse citaten of de namen van historische figuren als Ignatius van Loyola, op een ruwe kruisvorm (waarbij hij zich tot Beuys lijkt te hebben bekeerd). Schnabel identificert zich beurtelings met de heilige Sebastiaan en Christus.
In 1997 regisseerde hij een film over het leven van Basquiat, waarin David Bowie optreedt in de rol van Andy Warhol. Zijn dochter Lola Schnabel was in 2003 vertegenwoordigd op de kunstbeurs Art Brussels.
John Currin (E1962) is een nog vrij recent New Yorks Bad painter, die min of meer realistische portretten schildert van onhandige mansfiguren en idioot kijkende vrouwen met grote borsten.
Of een groep schoolmeisjes die samen sigaretten zitten te roken.
Verder ook dwaze, opzettelijk onhandige tekeningetjes in kleurpotlood en krijt, verwijzend naar de werkwijze van amateurschilders en kitsch-artiesten.
Hij beoefent een soort karikaturaal realisme.
Zijn doeken lijken meestal te gaan over vrouwen en seksuele conventies, gebracht op een nogal platte en vulgaire wijze.
Paul Ilegems 15.08.2003
|
|
|
|
|


|
 |
|
|