portaal
agenda
artikels
KuDa
boeken
muziek
favorieten
nieuwsbrief
contact




nieuw
kunstenaars
educatief
per auteur
In de lusthof van Juan Maria Bollé
La Belle et la Bête

Nog nooit is er één punt out of the blue komen neervallen op een blad papier of op een schildersdoek. Iedereen die al eens een lijn getrokken heeft beseft dat het genot van het ervaren van de efficiëntie van de kortste weg tussen een punt A en een punt B in het niets verzinkt bij het wellustig betasten, bepotelen, haast alchemistisch onderzoeken, van elk punt dat ligt op de verst mogelijke kronkelende verbindingswegen tussen begin- en eindpunt. Het is niet altijd aangewezen in een rechte lijn op het doel af te gaan. Een introductie op het werk van een kunstenaar, zoals hier vandaag dat van de schilder Juan Maria Bollé, vraagt geregeld om halt te houden, en uit te weiden, al was het maar om even af te dalen in de bronnen waaruit de kunstenaar put.

Evenmin kan deze tekst een pleidooi zijn voor irrationaliteit. Zowel de geschiedenis als de actualiteit illustreert uitvoerig wat hiervan de kwalijke gevolgen kunnen zijn. Daarom kan de tekst slechts een uitnodiging zijn om de efficiëntie tijdelijk te ontregelen, te saboteren, een speelkwartiertje zeg maar, om je mee te nemen naar een lusthof. Met deze ietwat archaïsche term laat het werk Juan Maria Bollé zich nog het best omschrijven. De lusthof kan slechts vervoeren, door zich voortdurend te hernieuwen. Verleiding heeft altijd opnieuw variatie nodig, anders bloedt de liefde dood. Het is de prinses Sheherazade die elke nacht aan de dood ontsnapt door de sultan een nieuw boeiend en mooi verhaal te presenteren.

In het maan overgoten woud horen we een langgerekt gehuil waarvan het gissen blijft naar de herkomst. Varkens zijn de enige dieren die dromen in kleur. Bij de mensen zijn het alleen de schilders die van kleuren dromen.  De collectie is opgebouwd rond  een sprookje van Jean Maria Leprince de Baumont uit 1757.  Zoals de werken van Juan Maria Bollé zelf voortdurend gefragmenteerd zijn, zo werd ook het dierenverhaal verscheurd tot een mix van Lafontaine en misschien hier en daar een snuifje Toon Tellegem of Maarten Biesheuvel. Het geheel ademt een sfeer uit van het besef van warm kolkend bloed dat stroomt onder de behaaglijke vacht.  Voor de wolf in u gaat watertanden zeg ik dat de Roodkapjes die men in dit bos tegen het lijf loopt zijn ontsnapt uit Cat People, of uit The Hunger. Het dierlijk erotische en het esthetisch genot worden hier voortdurend naast elkaar geplaatst. Kijk naar de werken  ‘Full Moon’ (met wolf) en ‘Seaside Rendez –Vous’ (met zeearend) en je begrijpt dat uit deze sprookjes het bestiale element niet weg te branden is.

En omdat we in sprookjesachtige sferen zitten leid ik jullie op deze tentoonstelling binnen langs een schilderij dat er niet eens hangt. Sluit je ogen, je gaat terug naar de vroegste tijd, je ziet een blokkendoos, alleen contouren duiken op, twaalf vierkanten, netjes per drie op elkaar gestapeld,  vier rijen.  De zes vlakken links beginnen bovenaan in de hoek met een eendje, dan op de tweede lijn verspringend naar het midden, een beertje en in de linkerhoek onderaan een nijntje.  De ruimte tussen het speelgoed, opgevuld met primaire kleurenvlakken, is een vette knipoog naar Barnett Newmans "Who’s afraid of red yellow & blue".  De zes rechterblokken beginnen in de hoek onderaan met een gitzwart blok, binnenkant rechts wordt dat dan  wit, en bovenaan rechts eindigt men met wat men verkrijgt als men de non-kleuren mengt: grijs.  De resterende vlakken zijn voorbehouden voor Mao, Stalin en Hitler.  De titel luidt “Who Took Those Boys’ Toys?”

Bij Juan Maria Bollé vertellen de kleuren het verhaal. De steeds weerkerende kleurenvlakken hebben hun betekenis. Zorgvuldige voorbereide compositie, met felle tegengestelde beelden, en geschilderde en picturale elementen die elkander afwisselen, meestal wordt hun abstracte karakter geplaatst tegenover de figuratieve beeldfragmenten.

En zo  kwamen wij op een Mary Poppins achtige manier tot de essentie van dit werk. 

Als we nu onze ogen opnieuw openen en kijken naar de werken die hier werkelijk hangen dan richten we de blikken best eerst naar het grootste doek uit de  tentoonstelling: Nymphea. Waar er verwezen wordt naar de eindnegentiende-eeuwse onschuldige waterlelies van de impressionist Monet, ironiseert Bollé haar honderd jaar later tot een onverbloemde twintigste eeuwse popart-nymfomane dominatrix. De malicieuze Dame Cruelle, ontsnapt uit The Factory van Andy Warhol, komt als de trashy version van Alice in Wonderland, een al dan niet kwaadaardige sprookjesfiguur, vallen uit “Venus in Furse”, een song van The Velvet Underground, de excentrieke popgroep, door Warhol gelanceerd, op een moment dat hij meende de schilderkunst weer tot leven te moeten brengen door haar te injecteren met rock´n´roll.

Popart is een kunstrichting  die zich verzette tegen elke vorm van engagement, niet sociaal, niet politiek, niet spiritueel, niet psychologisch. Men wou slechts de  samenleving met haar massaproductie en dito consumptie registreren.  Bollé presenteert zijn Nymphae als een split-screen.

Als we het Monet element zien als de these, dan is het Popartreferaat er ongetwijfeld de antithese van en dan moet het werk in zijn totaliteit gelezen worden als de synthese.  Vandaag is de realiteit  zo complex dat ze zich niet laat samenvatten. Paradoxaal genoeg is het geheel de synthese.

Ondanks het feit dat deze expositie haar deuren opent op de zwaar beladen datum van 11 september, hoedt Juan Maria Bollé zich voor boute uitspraken. Het engagement uit zich subtiel in de werkwijze.

Als men Schopenhauer mag geloven, dan moet men als men de keuze heeft tussen een wetenschappelijk en een artistieke bron, niet aarzelen te kiezen voor de kunstzinnige.  De bron is betrouwbaarder en geloofwaardiger omdat de kunstenaar, in tegenstelling tot de wetenschapper, nooit beweerd heeft objectief te zullen zijn. Zoals in een roman vaak topics uit de wereldgeschiedenis sporadisch op de achtergrond opduiken. Echte kunst weerspiegelt de maatschappij door de "gebroken spiegel" van de artistieke subjectiviteit.

Het werk van Juan Maria Bollé toont veel. Toch weet de aandachtige toeschouwer, d.w.z. diegene die zich geen enkele moeite bespaart om over alle barrières heen te kijken, dat men hier altijd slechts het topje van de ijsberg te zien krijgt.


Bij Juan Maria Bolle is de kunstgeschiedenis voortdurend aanwezig. De voorbeelden waarnaar de kunstschilder verwijst, zijn niet van de minsten. Ferdinand Knopff en Félicien Rops.  "Beauty and the Beast" is niet alleen een prachtige song van David Bowie, maar ook de titel van de overzichtstentoonstelling die vorig jaar in deze stad gehouden werd rond het werk van Rops. Het oeuvre van Bollé is een constant zoeken naar de wisselwerking tussen traditioneel en eigentijds schilderen.

“La Nuit du Perroquet” en “La Sirène et la Perruche’ verwijzen rechtstreeks naar Henri Matisse. Bij dat laatste blijven we even stilstaan. Het is een herbronning van “La perruche et la sirène”, de monumentale knipselgouache van Matisse. Het betreft een compositie van 3m65 bij 7m60.  Ze kwam tot stand in de periode 1952/1953. In deze laatste periode was Matisse niet meer in staat tot schilderen. Vanop zijn ziekbed gaf hij instructies om bepaalde kleuren papier uit te scheuren, hierin zette de grootmeester dan kunstzinnig de schaar.

Men kan zich afvragen of Juan Maria Bollé hiermee een statement wilde maken over de huidige schilderkunst. Ik wil niet participeren aan de populistische tendenzen waarmee vandaag uitgerekend de minst democratische tendenzen in onze samenleving menen te mogen fulmineren tegen de actuele kunsten. Die mag dan al in crisis verkeren, niet in het minst de schilderkunst zelve. In deze expositie treffen we het werk van een kunstenaar die de wolfsijzers en schietgeweren van de populistische demagogie omzeilt door enerzijds popart en anderzijds eeuwenoude schilderkunst met elkaar te verenigen. Bollé herleidt “La sirène et la perruche” tot haar essentie, het spel van de verleiding, aantrekken en afstoten. Dit gebeurt vooral door de abstracte kleurenvlakken die vogel en vrouw van elkaar gescheiden houden, zoals licht en duister in het noctuarium dienst doen om bezoekers en reptielen van elkaar gescheiden te houden.

Het verraderlijke is juist dat temidden van dit flamboyante kleurenpalet de hoofdrol weggelegd is voor de niet-kleuren.  De zwart-wit vlakken doen denken aan strips. Alsof Bollé hiermee teruggrijpt naar de godfather of popart; Hergé, de geestelijke vader van Kuifje.

Men kan een appel tekenen door te tekenen wat er buiten de appel valt. Men spreekt dan van de negatieve vorm, de restruimte. Als we op de doeken van Bollé menen wit te zien, staat er niets. Het betreft uitgespaarde vlakken in de composities. Hier is het naakte, onbeschilderde boek aan het woord. Deze werkwijze is vergelijkbaar met filmen in zwart-wit: de cineast maakt keuzes om details weg te laten of te accentueren. Dit wit is de stilte in de muzikale compositie, de witregel in het gedicht, de stilte die boekdelen spreekt in de menselijke communicatie. Het niets als scheppend principe. Zitten we hier bij het scheppend nihilisme van Willem Frederik Hermans?

Wel worden de schaduwen getekend.  Het zwart is een scheppend principe, zoals materie bestaat bij de gratie van de antimaterie. Bij Bollé vullen het wit en het zwart elkaar feilloos aan.  Zoals in de loop der jaren prachtige beelden in onderaardse grotten onstaan, zo heeft zich binnen dit oeuvre een merkwaardig en uniek proces voltrokken. Alsof de schilderkunst zelf weerwraak genomen heeft. Zichzelf binnenste buiten gekeerd heeft. De sprookjes die Bollé vertelt vanuit het dierlijke duister hebben uiteindelijk een positieve geladenheid.

Zoals het in sprookjes meestal gaat wil ook hier de kunstenaar de realiteit ombuigen. Pornografische beelden wordt ongebogen tot een sprookjesachtige sfeer. Sprookjes zijn wreedaardig.  De werkwijze van Juan Maria Bollé zet alles op losse schroeven. Wie is de schone? En wie het Beest?  Het is best mogelijk dat er meer dreiging en gevaar uitgaat van het gitzwarte water waarop de wonderschone waterlelies drijven dan van de dominatrix. Trouwens, nu we nog eens goed kijken zien we dat er om haar mond een glimlach speelt.  In een maatschappij die voortdurend complexer wordt lijkt de kunstenaar op een verfijnde manier te wil teruggrijpen naar het archetypische van sprookjes. Juan Maria Bollé eigent zich het recht toe een spel te spelen met die sprookjes. De donkere zijde vertelt een positief verhaal. Het is aan de kijker om te oordelen. Voor mij is dit oeuvre even fraai, poëtisch en  feëeriek als het Alhambra in Granada.

Het werk van Juan Maria Bollé is een lusthof met ballen en brains.

 Tekst van: Didi de Pari$
Foto's: Juan Maria Bollé

Reageer op dit artikel
afdrukken


[keer terug]

Didi de Pari$

Didi.deparis@chello.be


top | 16 03 2010 12:21
print