|
Koons Studeerde aan het College of Art van Baltimore en Chicago van’ 72 tot ‘76. Zijn eerste tentoonstelling, gehouden in 1978 in zijn eigen appartement, was volgens criticus Alan Jones 'een verontrustend en tevens triomfantelijk vloer-tot-plafond environment, bestaande uit agressieve winkelwaar: een bijna ondoordringbare hoeveelheid opblaas-attributen die doorgaans bestemd zijn voor carnavals en parades. Reeksen kitscherig-groene opblaasbloemen stonden in rijen op spiegels op de vloer. Omdat aan de wanden ook spiegels waren bevestigd vormde het geheel een in zichzelf gekeerde uitbundigheid. Een dubbelzinnig effect: zo afstandelijk en tevens zo vertrouwd. De rest van de kleine ruimte was gevuld met doorzichtige plastic-boodschappentassen waarin doorschijnende plastic opblaaskussens waren gepropt.' Later zei Koons dat dit werk 'teveel seksuele implicaties' had, een kwalificatie waarmee hij doorgaans eenduidigheid bedoelt.
 
Koons, 1981. Hoover Convertibles Jeff Koons, 1985. Total Equilibrium Tank
Koons exposeerde in 1979 Hoover stofzuigers in gave en luchtdichte vitrinekasten van plexiglas, met fel neonlicht onderin. Het strak minimalistische 'omhulsel' verwees tegelijk naar Donald Judd en naar Dan Flavin, maar de inhoud was een alledaags gebruiksvoorwerp dat overal op de markt is. We zien hier dus een vreemde inversie: de plexi-kasten lijken een abstract-minimalistische sculptuur, maar worden functioneel (vitrine met licht), terwijl de stofzuigers een abstractie werden (vervreemd van plaats en functie). Tegelijk kan men ze opvatten als een pop-versie van het ready-made.
Er is echter wel een verschil: Koons presenteerde de objecten op een bijzonder zuivere en ongenaakbare manier. Niet hun gebruikswaarde wordt beklemtoond, maar hun verkoopswaarde. Op de westerse markt is immers de gebruikswaarde van een artikel minder belangrijk dan de ruilwaarde. De kapitalistische markt richt zich niet zozeer op dingen met een functie maar veeleer op ideeën die geassocieerd kunnen worden met een zekere uitstraling. In het geval van de stofzuiger is dat echter niet het geval - stofzuigers hebben geen eigen retoriek. Ze spreken niet tot de verbeelding, niemand voelt er iets speciaals voor. Er kan geen charme aan gekoppeld worden, geen emotionele associaties. Ze zijn een dode zone in het consumentendom.
Begin jaren ‘80 werd het werk van Koons nog nauwelijks opgemerkt, doordat alle aandacht van de kunstwereld toen naar het figuratieve neo-expressionisme ging (Schnabel, de Italiaanse Transavantgarde, de Duitse Neue Wilde, Basquiat en andere graffiti-schilders). Koons verdween en ging geld verdienen met het werven van leden voor het Museum of Modern Art en met speculeren op de New Yorkse beurs. Wat hij verdiende besteedde hij aan sculpturen die een grote investering eisten.
Pas in 1985 kwam hij terug met zijn thinky neoconceptuele kunst in een tentoonstelling die Equilibrium heette. Hij toonde er een zwemvest en een rubberboot in brons, een aquarium met zwevende basketballen en ingelijste affiches van Nike-sportschoenen. Het ging over drijven en zinken, zweven en vallen, lucht en materie, dynamiek en onbeweeglijkheid, en dit alles met veel finesse en gevoel voor spanning uitgewerkt. De in water zwevende basketballen werden door critici gezien als 'een metafoor voor de staat van narcose (noch dood, noch levend) waarin kunst, cultuur en sociaal leven zich vandaag bevinden', of als 'een metafoor voor de baarmoeder waarmee Jeff Koons een onveranderlijke staat van evenwicht en harmonie ofwel maatschappelijke geborgenheid simuleerde.' Een vrij hoogdravend commentaar, maar ook Koons zelf drukt zich op deze wijze uit.
Zijn volgende tentoonstelling, in 1986, was de Jim Beam-show, omdat ze grotendeels bestond uit in aluminium gegoten huisbar-attributen. Veel meer dan in Europa leeft in Amerika de cultus van de goed gevulde en fraai vormgegeven huisbar (cfr. tv-reeksen als Dallas of Dynasty). Samen met kitscherige drankhouders zoals een porceleinen Jim Beam-karaf, een speelgoedtrein, een golfcaddy of een reiskoffer (door de firma gevuld met bourbon en voorzien van een takszegel), toonde hij grote affiches voor alcoholische dranken. Elke indruk van artisticiteit was hier zorgvuldig vermeden. Hij toonde pure kitsch, louter sierobjecten of prullen. Wellicht was hij geschrokken van de formele kwaliteiten die aan zijn Equilibrium-tentoonstelling werden toegeschreven.
Een commentaar:
'Oppervlakkig beschouwd zou Koons de bedoeling kunnen hebben gehad om kitsch als kunst te presenteren volgens het principe van de toeëigening. Maar dit is voor Koons een veel te beperkte gedachte. Het zou sculpturen hebben opgeleverd die net zo pronkerig werden behandeld als het oorspronkelijke kitschvoorwerp. Het kunstvoorwerp als luxe-artikel is volgens Koons niet meer dan een masturbatie-act, wat weer een Koonsiaans synoniem is voor eenduidigheid. Wat hij voorhad met zijn Jim Beam-serie is het neutraliseren van de gevoelswaarden die kunst en kitsch impliceren. Het waardevrij maken van beide levert psychologisch beschouwd een verdwijning op: een ontzield voorwerp dat slechts 'is'. In interviews benadrukt Koons dikwijls deze nul-graad van zijn werk. De 'ontwaarding' van de kunst zou haar nieuwe mogelijkheden bieden.'
Nog in 1986 nam Koons deel aan de groepstentoonstelling Luxury & Degradation, samen met Bickerton, Peter Halley en Meyer Vaisman. Deze tentoonstelling werd voor hem en voor de andere exposanten de doorbraak. Hij confronteerde er het publiek met uiterst kitscherige sculpturen, gesublimeerd tot een soort 'Überkitsch'. Het waren stalen replica's van beelden van figuren als Lodewijk XIV en Bob Hope, een rococo-salonstuk en een opblaaskonijn uit Taiwan, dat niet in plastic is uitgevoerd maar in gechromeerd staal.

Koons, 1986. Rabbit, h104cm, staal Koons, 1986. Bob Hope Koons, 1988. Naakt, h115cm, porselein
Een buste van Lodewijk XIV is als teken duidelijk genoeg: Europese geschiedenis, de uitstraling van Versailles, macht en prestige. Maar uitgevoerd in verchroomd staal (i.p.v. bv. brons) wordt het een degradatie (kitsch).
Bob Hope daarentegen, een Hollywoodzanger en filmster uit de jaren 1950-80, is zowat de volksheld van de Amerikaanse arbeider. Hij vertegenwoordigt de traditionele waarden van de doorsnee-Amerikaan. Net als in de Jim Beamshow citeert Koons hier uit de cultuur van het Amerikaanse kleinburgerdom, die een vals gevoel van veiligheid en rust wil geven, en parodieert hij het status-zoeken van de Amerikaanse middenklasse: 'I don't seek to make consumer icons, but to decode why and how consumer objects are glorified.' Door de Bob Hope op gelijke wijze uit te voeren als Lodewijk XIV voert Koons zijn 'neutraliteitsprogramma' verder door, in de richting van een nivellering van de sociale klassen. Het komt eigenlijk neer op een desintegratie van de smaaknormen: - burger-arbeider-bourgeois - alles wordt gelijkgeschakeld. Er is geen smaak meer, alles is evengoed.
Hetzelfde geldt voor het spiegelend opblaaskonijn, dat naar kermis en kinderkamer verwijst: het is identiek aan het origineel, maar het verchroomde staal geeft het een sinistere lading. Het wordt een provocerende en gemene androïde, een alien die elke culturele traditie belachelijk maakt. Het konijn wordt opgetild tot een icoon van de Amerikaanse mentaliteit: valsheid in epische proporties.
Met zijn voorkeur voor de kitsch-elementen van de kinderkamer werd Koons zowat de poète maudit van de Amerikaanse adolescentie (niet toevallig had hij dezelfde manager als Michael Jackson). Hij parodieert de kunstwereld en tegelijk ook zichzelf. 'Kunst wordt Koonst', stelde hij ooit.
Ook de schilderijen van Koons zijn niets anders dan letterlijke overnamen, liefst uit de reclamewereld: grote posters voor Nike of Gordon's gin in olieverf, lithografisch gedrukt op doek. Geen enkel werk is eigenhandig gemaakt. Zijn hele oeuvre is een reeks van onpersoonlijke marktmanipulaties. Koons' eerste vraag luidt 'How to Star?' Geld verdienen is de eerste prioriteit. Koons: 'Ik geef eigenlijk geen zier om esthetica of diepgang. Het vocabularium dat ik wil gebruiken is dat van reclame en amusement. Dat is niet zo puriteins als de kunstwereld.'

Koons, 1986. I could go for something Gordon's (olie op doek)
In 1988 exposeerde Koons tegelijkertijd in New York, Chicago en Keulen. In de drie steden stonden dezelfde werken, die in een editie van drie waren gemaakt. Hij presenteerde er zijn nieuwe 'collectie', alsof het om een lang verwacht modeproduct ging. De tentoonstelling werd voorafgegaan door een opvallende reclamecampagne in de grote kunsttijdschriften, met paginagrote advertenties waarop Koons te zien was met twee net gewassen varkentjes, Koons tussen twee Miss America's, Koons als onderwijzer voor een klas met op het schoolbord de woorden 'Exploit the Masses', en Koons als nouveau riche, geflankeerd door zeehonden met bloemenkransen.
Verder ook grote sculpturen die waren vervaardigd door Duitse houtsnijders in Oberammergau en door Italiaanse porseleinbakkers: Buster Keaton op een ezeltje, een rechtopstaande beer in T-shirt die een Londense politieagent (Koons zelf) toespreekt, een vrouw in bad die verschrikt haar borsten bedekt omdat een snorkelaar opduikt, een typisch Amerikaanse schoonheidskoningin à la Farah Fawcett, een feestvarken dat door een engeltje en Jeff Koons als kind wordt voortgeduwd. Dit laatste werk had als titel Ushering in banality ('de inluiding van de banaliteit').
Koons, 1988. Ushering in Banality, 93x150x80cm (hout)

Koons,1988. Affiche Koons, 1988. Amore, 80x50x50cm Koons, 1988.

Koons, 1998. Woman in Tub Bear and Policeman (hout) (porselein)
In 1990 trad Koons in het huwelijk met het Italiaanse parlementslid Ilona Staller, beter bekend als de pornoster La Cicciolina. Zij poseerde liefst als een oversekst bruidje of kindvrouwtje, en ontblootte onmiddellijk een borst, zodra er een fotograaf in de buurt kwam. Het huwelijk had alles weg van een kwaadaardige parodie op de traditionele huwelijkswaarden. Zo bewees Koons dat hij, net als destijds Marcel Duchamp, zijn eigen leven als een kunstwerk opvat. Hollywoodkitsch in het kwadraat. Individuele mythologie à la Koons.
Meteen liet hij de Beierse houtsnijders meer dan levensgrote, gepolychromeerde houten beelden vervaardigen van hemzelf en zijn echtgenote in allerlei erotische posities. Met dezelfde logica liet hij ze tevens uitvoeren in Venetiaans glas, door de toeristische industrie van het Venetiaanse eilandje Murano. Verder liet hij een reeks grote computergestuurde inkjets op doek maken van la Cicciolina en hemzelf, die stills lijken uit een pornofilm die de titel Made in Heaven draagt. Alles speelt zich af in een dromerige sfeer, schoonheid & onschuld in de natuur, paradijselijk genot van ideale mensen. Maar er zijn ook beelden bij die in niets verschillen van de commerciële harde porno: bv. een close-up van een anale penetratie.

Koons, 1991. Made in Heaven (Ludwig Sammlung Aken)
De porno-beelden worden afgewisseld met felgekleurde kunstbloemen, die de onschuld van Koons’ kitschparadijs beklemtonen, maar tegelijk ook erotische suggesties bevatten. En vanzelfsprekend waarschuwt Koons zijn publiek netjes op voorhand door te wijzen op het 'exclusief seksuele karakter' van zijn werken, en op het feit dat jongeren onder de 17 alleen binnen mogen in gezelschap van een volwassene. Hij werkt dus mee met de censuur en bekrachtigt haar normen, nog éér hij ertoe gedwongen wordt. Hij wil geen provocateur zijn die een rel uitlokt, maar een welopgevoede en voorkomende jongeman (een tikkeltje decadent en blasé misschien) die toevallig harde porno exposeert als kunst. Ook inzake hypocrisie zien we hier dus een inversie.

Koons, 1991. Jeff on Top (dirty), plastic, 119x269x178cm Koons, 1991. Position Three (Kama Sutra)

Koons, 1991. Made in Heaven Koons, 1991. Ilona’s Asshole

Koons, 1991. Jeff and Ilona Koons, 1991. Made in Heaven, installatie
Zijn relatie met la Cicciolina en de werken die hij daarover maakte, brachten hem tot enkele opmerkelijke uitspraken: 'Ik heb afgerekend met het morele conflict. Er is geen moreel conflict in het werk. Alle zichtbare sporen ervan zijn weggenomen. Ilona en ik zijn werkelijk een eigentijdse Adam en Eva. Het is in de traditie van de barok. Als een Michelangelo, als een Bernini. Wie het ziet ondergaat een gevoel van louter behaaglijkheid, als in het Heilige Hart van Jezus. In zekere zin is het een terugkeer naar de Tuin, maar dan nà de uitdrijving, na de Zondeval. Het richt het publiek op het wegnemen van vrees, op aanpassingsvermogen. Aanpassingsvermogen is de sleutel om de vrees weg te nemen, en als er geen angst is, is er geen schuld of schaamte. Ik wedijver hier met het Vatikaan. Ilona is de essentie van het aanpassingsvermogen. Ik bedoel: Ilona IS de eeuwige maagd. Ze is volstrekt zuiver. Doordat ze geen schuld of schaamte kent, is er bij haar niets dat beklijft. Het is onmogelijk, haar als een slachtoffer te zien. Zij is daar te aanpasbaar voor (en zo ben ik uiteraard zelf ook). Zij is een van de bijzonderste mensen op aarde. Ze is een eeuwige kunstenares. Een extreem genereus persoon. Ze geeft het totaal van zichzelf. En haar medium is de media. Ze is een objectieve persoonlijkheid. En daarom valt zij niet in het domein van het pornografische. Ze is daar nooit geweest.'
De relatie hield geen stand en ontaardde al twee jaar later in een juridische strijd om het hoederecht over hun zoontje Ludwig Maximiliaan.
Met bijzondere dank aan :
Paul Ilegems
doorsturen naar een vriend of vriendin intekenen op de nieuwsbrief ga naar de website
afdrukken
[keer terug] null 12.06.2006
|