| 'De schilderkunst is de kunst van het zien. Ze moet zich dus bezighouden met dingen die gezien zijn, en de historische taferelen van de klassieke school of de poëtische thema's naar Goethe of Faust verlaten.' |
|
|
| — Gustave Courbet |
|
Met deze uitspraak revolteerde Gustave Courbet in 1846 tegen het academische denken. Voor Courbet was elke mythologische of historische inhoud niet alleen overbodig, maar zelfs leugenachtig, omdat er geen waarneming mee gemoeid was. Hij wees ook de meeste religieuze onderwerpen van de hand, en wilde bv. geen engelen weergeven. 'Ik heb nog nooit engelen gezien. Toon mij een engel en ik zal er een schilderen,' zo verklaarde hij. Alleen de waarneming van de werkelijkheid kon voor hem het uitgangspunt zijn: het realisme.
Het realisme koos doorgaans voor sociaal gerichte thema's, die meestal zonder sentimentele of moraliserende opsmuk in beeld gebracht werden. De stroming hangt samen met het groeiende sociaal engagement van een aantal kunstenaars en intellectuelen. De industrialisering had zeer ingrijpende veranderingen teweeg gebracht, en de armoede en rechteloosheid van van de snel groeiende arbeidersklasse geaccentueerd. Filosofen van het positivisme als Saint-Simon en Auguste Comte, en socialistische utopisten als Owen en Fourier bekritiseerden de heersende wantoestanden en bedachten nieuwe maatschappijmodellen om de sociale wantoestanden uit de wereld te helpen. Rond het midden van de eeuw gingen anarchistische denkers als Proudhon en Bakounin verder op hetzelfde spoor, en schreven Marx en Engels de theorie van het communisme.
Dit alles kon de kunstwereld niet onberoerd laten. De schilders die zich realisten noemden wilden de realiteit laten zien, ook als die voor het publiek onaangenaam was. Zo werd de realiteitswaarde van het kunstwerk in de tweede helft van de 19de eeuw een nieuw artistiek criterium, dat veel bijdroeg tot de herontdekking van kunstenaars die door het neo-classicisme verworpen waren, zoals Bruegel, Adriaan Brouwer, David Teniers, Frans Hals, Zurbaran, Ribera, Murillo, e.a.
Gustave Courbet (1819-1877) viel van bij 't begin van zijn carrière op door zijn excentriek en uitdagend gedrag. Zijn groot zelfgevoel maakte hem heel bekwaam om zijn eigen werk te promoten. Hij gaf zichzelf de status van een vedette en zijn doeken verwekten meer dan eens sensatie. Ook had Courbet het geluk dat de politieke omstandigheden zijn carrière in gunstige zin bevorderden. De revolutie van 1848 had na felle straatgevechten de 'burgerkoning' Louis-Philippe tot aftreden gedwongen. Courbet, die bij het hele gebeuren slechts een getuige op afstand was geweest, profiteerde van de gelegenheid en exposeerde een groot aantal doeken, zodat hij snel bekend raakte als de voornaamste vertegenwoordiger van de radicale strekking. De dichter Baudelaire en de anarchistische filosoof Proudhon werden zijn vrienden en bezochten geregeld zijn atelier.

Courbet, 1844. De droom, 70x97cm

Courbet, 1854. Bonjour Mr. Courbet, 129x149cm
Op het salon van 1853 toonde hij o.m. De baadsters (227x193cm). Er is in dit doek geen uitleg voor de theatraal uitgestrekte armen van beide figuren. Dit wekte irritatie, en zo ook de overdreven Rubensiaanse vormen en de sok die de ene vrouw nog aanheeft, wat als een onwelvoeglijk detail werd beschouwd. Klaarblijkelijk wilde Courbet ingaan tegen de esthetische idealisering van de vrouw. De Baadsters is een vulgaire behandeling van een academisch thema, een soort anti-Ingres.

Courbet, 1853. De baadsters, 227x193cm
In 1855 verwekte Het Kunstenaarsatelier grote sensatie. Het 6m brede doek mocht niet geëxposeerd worden van de jury, maar Courbet liet vlakbij de ingang een eigen paviljoen timmeren om zijn werk alsnog te laten zien. In het midden van de compositie zit Courbet een vredig landschap te schilderen terwijl een naakte vrouw en een volkskind toekijken. Aan zijn voeten speelt een kat. Links staat een groep mensen die Courbet omschreef als 'de alledaagse mensen, het volk, armoede, rijkdom, de uitbuiters en de uitgebuiten'. Op de rechterhelft staan kunstkenners en intellectuelen, waaronder vrienden van Courbet als Baudelaire, Proudhon en Champfleury. Er is tussen beide groepen geen contact. Het is alsof Courbet zijn arbeid als kunstenaar heeft willen situeren als iets tussen beide groepen in, en met aan beide zijden evenveel verbanden: sociaal en volks enerzijds, intellectueel en elitair anderzijds. Het Kunstenaarsatelier is dus een allegorische voorstelling.

Courbet, 1855. Het atelier, 361x598cm

Courbet, 1855. Het atelier (detail)
In De slaapsters uit 1866 wordt de lesbische liefde in beeld gebracht, in die tijd een volstrekt ongehoord onderwerp voor een schilderij. Maar het doek werd door vrijwel niemand gezien, ook niet door de salonjury. Courbet schilderde het voor de privé-collectie van de Egyptische diplomaat en kunstverzamelaar Khalil-Bey. Deze bezat o.m. het Turks bad van Ingres, en heel wat erotica. Pas in 1953 werd De slaapsters voor het eerst geëxposeerd. De roodharige vrouw is Joanna, de Ierse vriendin van Whistler, die Courbet in 1865 in Trouville had ontmoet.

Courbet, 1866. De Slaapsters, 135x200cm
Dezelfde verzamelaar bestelde ook De oorsprong van de wereld (1866), een close-up van een vrouwelijk geslacht op ware grootte, die in zijn directheid ongeëvenaard is in de geschiedenis van de schilderkunst. Dit werk was Courbets felste reactie tegen de geësthetiseerde, gladde en altijd onbehaarde naakten van het academisme. Zelf was hij er heel trots op, en geregeld bracht hij vrienden naar het huis van Khalil-Bey om het werk te laten bewonderen.

Courbet, 1866. De Oorsprong van de Wereld, 46x55cm
Pas zeer onlangs is De oorsprong van de wereld een van de beroemdste werken van de 19de eeuwse schilderkunst geworden. Lange tijd dacht men dat het werk verloren gegaan was. Het doek wordt slechts in twee teksten vermeld, nl. bij Maxime du Camp (de jeugdvriend van Flaubert, die het zag in de woning van Khalil-Bey) en bij Edmond de Goncourt (croniqueur van zijn tijd en verzamelaar van Japanse erotica). Khalil-Bey zelf hield het slechts twee jaar in zijn bezit. In 1868 verkocht hij zijn hele collectie omdat hij terugkeerde naar Istanboel en nog speelschulden te betalen had. Wat er met het doek van Courbet gebeurde is onbekend - het verscheen niet in de inventaris. Maar in 1889 zag Edmond de Goncourt het werk bij een kunsthandelaar in Parijs. Het zat verborgen achter een sneeuwlandschapje (eveneens geschilderd door Courbet) dat met een verborgen scharniertje kon worden weggeklapt. Na 1889 was het werk weer verdwenen, tot het in 1913 opdook bij de kunsthandelaar Bernheim-Jeune te Parijs. Bernheim-Jeune scheidde het sneeuwlandschapje van het achterliggende doek en verkocht beide werken afzonderlijk. De Oorsprong van de wereld kwam terecht bij de Hongaarse baron Hatvany, die het meenam naar Budapest. Hatvany had een zeer rijke collectie, vooral impressionisten. In 1944 werd zijn residentie geplunderd door de Duitsers en kort daarop nogmaals door de Russen. Hatvany was intussen naar Parijs gevlucht, waar hij in 1948 een deel van zijn collectie terugkocht. Ook de Oorsprong van de wereld was daarbij. Na de dood van baron Hatvany werd het doek in 1955 gekocht door de Jacques Lacan, de psychoanalyticus die in de jaren 1960 furore zou maken met een aantal theoretische werken over de psychoanalyse. Lacan was een groot kunstverzamelaar, maar voegde de Oorsprong van de wereld niet toe aan zijn collectie in Parijs. Het doek hing jarenlang in zijn bureau op zijn buitenverblijf, en opnieuw zat het verborgen achter een andere voorstelling. Lacan had daarvoor de surrealistische schilder Masson aangezocht, die een uitschuifbaar paneeltje maakte waarop een tekening van een landschap, waarin de contouren van Courbets naakt verwerkt zaten. In 1967 verscheen voor het eerst een zwartwit-reproductie van De oorsprong van de wereld in het ophefmakende boek Le sexe de la femme van Gérard Zwang, maar waar het werk zich bevond bleef een raadsel. Lacan zelf onthulde nooit dat hij er de bezitter van was. Na zijn dood in 1981 stelde zijn weduwe het doek voor het eerst ter beschikking voor een retrospectieve Courbet-tentoonstelling te Brooklyn, gehouden in 1988. Bij de dood van de weduwe Lacan in 1993 kwam het werk in bezit van het Musée d'Orsay te Parijs, waar het sinds 1995 deel uitmaakt van de vaste collectie. Aanvankelijk stond er een speciale bewaker naast het doek. Ondanks zijn rebelse opvattingen genoot Courbet in het Frankrijk van keizer Napoleon III een gedegen reputatie. In 1868 werd hij aangezocht als lid van de prestigieuze Académie française, maar hij weigerde omdat hij deze instelling als een belemmering beschouwde voor de artistieke vooruitgang. In 1870 wilde men hem het Légion d'Honneur toekennen. Ook deze keer weigerde hij, omdat hij de staat incompetent vond in artistieke zaken en hij zijn vrijheid intact wilde behouden.
De Frans-Duitse oorlog van 1870-71 en de Commune van Parijs die eruit voortvloeide zouden echter een negatief keerpunt worden in zijn carrière. Parijs werd omsingeld door Duitse troepen en uitgehongerd. De hogere burgerij en de meeste politici waren de stad ontvlucht. Het volk nam de macht in handen en organiseerde een zelfbestuur, de Commune geheten, waarin Courbet werd aangesteld tot president van de Fédération des Artistes. In deze turbulente maanden werd op zijn initiatief de kolom op de place Vendôme omver getrokken (al had Daumier, die lid was van dezelfde federatie, zich ertegen verzet). Toen de Commune in mei 1871 bloedig werd onderdrukt was Courbet door zijn optreden volkomen gecompromitteerd. Hij kreeg de volle schuld voor de vernieling van het monument en ging voor zes maanden de gevangenis in. Al zijn bezittingen werden in beslag genomen en hij moest 323.000 francs betalen om de schade te vergoeden, toen een enorm bedrag. Hij ging in ballingschap naar Zwitserland waar hij tot zijn dood in 1877 nog een grote hoeveelheid doeken schilderde met de hulp van drie assistenten, in de hoop zijn financiële toestand te verbeteren. Maar de waardering voor zijn werk was sterk teruggelopen en jongere kunstenaars als Manet en Degas deden Courbet algauw gedateerd lijken.

Courbet, 1868. Vrouw in de golven, 65x54cm
Honoré Daumier (1808-1879) volgde geen kunstopleiding maar werd helper bij een drukker in Parijs waar hij litho's leerde maken, en bezocht geregeld de 'Académie Suisse', genoemd naar haar initiatiefnemer, de heer Suisse. Het was geen echte academie, maar veeleer een ontmoetingsplaats waar kunstenaars konden discussiëren en werken naar levend model. Er was verder geen programma en er werd geen les gegeven.
In 1830 nam hij deel aan de juli-revolte, die een nieuwe koning op de troon bracht: de 'burgerkoning' Louis-Philippe. Maar ook deze vorst ving meteen veel kritiek uit het progressieve kamp. De gebeurtenissen van 1830 betekenden voor Daumier het begin van zijn carrière als politiek satirist. Hij ging werken voor de uitgever van reproductiegrafiek Charles Philipon, die een satirisch magazine begon: La Caricature, kort daarop gevolgd door Charivari (= tumult, opschudding). Beide tijdschriften namen op scherpe wijze de actuele politiek op de korrel. Het succes was aanzienlijk, maar ze liepen ook veel processen op. Zo maakte Daumier in 1831 een kwaadaardige prent van Louis-Philippe als Gargantua, de gulzige veelvraat uit het boek van Rabelais. Ze leverde hem een flinke boete op en een effectieve gevangenisstraf van 6 maanden. Toen hij weer vrij kwam werden zijn aanvallen nog agressiever. Louis-Philippe zelf mocht hij niet meer afbeelden, maar in de plaats daarvan nam hij een peer. Het gezicht van de koning was immers peervormig, en bovendien betekent 'poire' ook domoor. Maar zelfs de peer werd gecensureerd. In 1834 werd Philipon gedwongen de tekst van een veroordeling af te drukken in Le Charivari. Hij gaf hem de omtreklijnen van een peer, en argumenteerde:
| 'Wil men dan werkelijk het beeld van een peer verbieden? Bevestigt de censuurraad daarmee niet, dat de koning werkelijk op deze vrucht lijkt ?' |
|
|
| — Charles Philipon |
|

Daumier, 1834.Le passé, le présent, l’avenir, 21x20cm
Voor beide tijdschriften produceerde Daumier zo'n 4.000 litho's en nog eens ca. 1000 tekeningen voor houtsneden. Ook stonden in de vitrine van het redactiekantoortje 36 beschilderde borstbeeldjes in gedroogde klei, geboetseerd door Daumier. Ze zijn slechts 14 à 22cm hoog en stellen de bekendste Franse politici voor. De beeldjes zijn bijzonder levendig en lopen met hun grote sculpturale vrijheid vooruit op Rodin. Toen ze op de duur gingen verbrokkelen maakte men er in 1925 een aantal bronzen afgietsels van, en in deze vorm zijn ze nu bekend.

Daumier (originelen in klei)
In 1835 kwam er nieuwe een wet op de persvrijheid die de censuur alle mogelijkheden bood, zodat ze 't wel moesten opgeven. La Caricature hield op te bestaan, maar Charivari bleef verschijnen. Het bracht voortaan meer gematigde satire, die vooral sociaal gericht was: het cynisme van de hogere klassen, machtsmisbruik, wantoestanden en onrecht, evenals heel wat onschuldige grappen over het huwelijksleven, de opvoeding, de jacht, en zo meer. Dit bleef voortduren tot de revolutie van 1848, die Louis-Philippe afzette.
Daumier, 1844. Paris l'hiver, 23x19cm Intussen was Daumier ook met schilderen begonnen, en dankzij de revolutie van 1848 kon hij meteen exposeren op het salon. Hij schilderde vooral sociale thema's en scènes uit het dagelijks leven, en stond daarin veel dichter bij het volk dan Courbet. Bekende thema's zijn o.m. De wasvrouw, De prentenverzamelaar, De worstelaars, het melodrama, De derde klaswagon en zijn interpretaties van Don Quichote, de held van Cervantes die het opnam voor de verdrukten. Zijn werk werd verdedigd door Delacroix, Baudelaire en de linkse criticus Champfleury.

Daumier, 1844. Paris l'hiver, 23x19cm

Daumier, 1863. De wasvrouw, 49x33cm Daumier, 1861. De prentverzamelaar, 35x26cm Daumier, 1860.

Het melodrama Daumier, 1864.

Derde klaswagon, 67x92cm

Daumier, 1867. Don Quichote lezend, 81x63cm Daumier, 1870. Don Quichote, 52x33cm
Maar in 1852, na de staatsgreep van Louis-Bonaparte, was het alweer afgelopen. Er volgde een hevige repressiegolf tegen de revolutionairen van 1848 en Daumier maakte op het officiële salon geen enkele kans meer. Hij verkocht haast niets en zat voortdurend in financiële moeilijkheden. Al in 1842 was zijn inboedel al eens aangeslagen en openbaar verkocht, en in 1862 overkwam hem dit opnieuw. Toch bleef hij zich concentreren op de schilderkunst, en in 1870 stopte hij zelfs met het maken van prenten omdat hij dacht dat dit nadelig was voor zijn erkenning als schilder. Hij verliet Parijs om op het land te gaan wonen. De bevriende schilder Corot kocht het huisje dat hij gehuurd had en deed het hem cadeau. Inmiddels werd Daumier langzaam blind door katarakt. In 1878 kreeg hij door toedoen van Victor Hugo zijn eerste grote tentoonstelling in de galerie Durand-Ruel. Hij toonde er 94 schilderijen en aquarellen en haalde voor het eerst hoge prijzen. Het jaar daarop stierf hij. De grote meerderheid van zijn doeken kwam pas na zijn dood in de openbaarheid. Van dan af begon zijn reputatie snel te groeien. Heel wat werken werden door anderen voltooid en met de naam Daumier ondertekend. In het totaal staan er meer dan 250 schilderijen met zekerheid op zijn naam, de meeste vrij klein (tot 50cm hoog of breed).
Als schilder werkte Daumier slordig en improviserend, hij dateerde zijn werken niet en vergat ze te signeren. Hij wist nooit goed wanneer een werk voltooid was en bleef het gedurig herwerken en retoucheren. Vaak zijn zijn doeken in slechte staat, doordat hij te weinig technische kennis had. Hij gebruikte goedkope materialen, mengde roet, bitumen en loodkleuren in zijn verf, liet de grondlaag niet lang genoeg drogen, etc, zodat ze nog geen 20 jaar na hun voltooiing al gingen barsten en verdonkeren. Zijn schilderkunstig oeuvre omvat een aantal topwerken, maar ook veel probeersels en mislukkingen.
Met bijzondere dank aan :
Paul Ilegems
doorsturen naar een vriend of vriendin intekenen op de nieuwsbrief ga naar de website
afdrukken
[keer terug]
Paul Ilegems 21.03.2006
|