|
De activistische kunst richt de aandacht op grote wereldproblemen als milieuvervuiling, urbanistische wildgroei, ontbossing, onderdrukking, armoede, aids, corruptie, prostitutie, vrouwenhandel, etc. Activistische kunstenaars willen met hun kunst allerhande wantoestanden aan het licht brengen. Politiek, wetenschap en bekommernis voor het milieu versmelten tot een artistiek geheel.
Multimediale figuren als Helen Mayer Harrison & Newton Harrison, Alan Sonfist, Mierle Leaderman Ukeles, Peter Fend, Agnes Denes en Mel Chin gaan ervan uit dat de kunstenaar niet enkel moet registreren en becommentariëren, maar daadwerkelijk moet bijdragen aan de bescherming van de natuur door alternatieven uit te denken en te propageren. Ze werken liever in open of publieke ruimten dan in galeries of musea, en niet individualistisch, maar collectief. Zo bv. de rondreizende tentoonstelling Fragile Ecologies. Contemporary Artists' Interpretations and Solutions (1992-94).
Mel Chin maakte de zgn. Revival Fields op zwaar vervuilde terreinen, waar hij aanplantingen deed die de bodem moeten zuiveren. Nancy Holt stelde: 'Vuilnisstortplaatsen zijn de kunstobjecten van onze generatie.' Ook Mierle Leaderman Ukeles documenteert de afvalwerwerking in grote steden.
 Maar veruit de bekendste vertegenwoordiger van de activistische kunst is Hans Haacke, die bv. in het werk Shapolsky et al. Manhattan Real Estate Holdings, a Real-Time System (1971) aan de hand van foto's en teksten de opzettelijk geplande verarming en verkrotting aantoonde van huizenblokken in New York, door toedoen van de familie Shapolsky. Hij documenteerde alles op een diepgaande en exacte manier, met bewijsmateriaal incluis.
In een ander project beschreef en fotografeerde hij alle onroerende goederen van Sol Goldman en Alex di Lorenzo in Manhattan, en in 1976 stelde hij een chemisch bedrijf aan de kaak dat een aanzienlijke belastingvermindering opstreek in ruil voor financiële steun aan de culturele sector, terwijl het ervan beschuldigd werd grote hoeveelheden insecticides in een rivier te hebben gedumpt. Dit project was getiteld: De weg naar de winst is geplaveid met kunst.
Haacke concentreert zich dus op de grote economische belangengroepen van de westerse wereld, die controle uitoefenen op de politieke macht en het culturele leven. Hij laat zien hoe de hoge financiële milieus de wereld naar hun hand zetten, meestal zonder rekening te houden met sociale of humanitaire argumenten. Tegelijkertijd houden ze een vriendelijk gezicht op door als sponsor op te treden voor musea en andere culturele instellingen, door kunstcollecties aan te leggen en kunstenaars te ondersteunen. Zo laat Haacke zien hoe de kunstwereld niet onschuldig en vrijblijvend op een roze wolk zit, maar net als alle andere sectoren van het maatschappelijke leven onderhevig is aan beïnvloeding, marktmechanismen, manipulaties, façades, belangenvermenging, fiscale operaties en corruptie.
De bekende kunstcriticus en kunstfilosoof Leo Steinberg schreef hierover: 'Hans Haacke had iets werkelijk obsceens ontdekt. Niet iets dat met sex te maken had, want daar is tegenwoordig geen obsc eniteit meer in te ontdekken. De enige echte ironische vorm van obsceniteit is mensen te vragen waar hun geld vandaan komt, en dan vooral aan degenen die donaties verstrekken aan musea. En dan wil ik u de volgende vraag voorleggen: als je ontdekt dat een van de grootste sponsors van een museum een chemische fabriek is die gifgassen voor Auschwitz heeft geproduceerd, en met dat geld nu het museum in Keulen wordt gesteund, maakt dat dan deel uit van de kunstgeschiedenis? Dat is een hele interessante, morele kwestie, die Hans Haacke aan de orde heeft gesteld.'
In 1971 werd een tentoonstelling van Hans Haacke in het Guggenheim Museum te New York onder druk van de sponsors afgelast, waarbij directeur Edward Fry ontslag moest nemen. Dit verwekte een golf van protest in de kunstwereld, en leidde zelfs tot een boycot van het Guggenheim Museum door de meest vooraanstaande kunstenaars. Ook in Duitsland werd zijn werk herhaaldelijk gecensureerd.
Ook hoe de militaire macht met mensen omgaat interesseert hem. Zo exposeerde Haacke in 1983 een grote witte kubus met twee horizontale spleetjes in. Het leek een minimalistisch kunstwerk, maar was in werkelijkheid een draagbare gevangenis van het Amerikaanse leger, waarin krijgsgevangenen werden opgesloten tijdens de invasie in Grenada.
In het voetspoor van Haacke vinden we o.m. Lothar Baumbarten, wiens werk een pleidooi bevat voor andere culturen, die door het westerse egocentrisme worden veronachtzaamd en vernietigd. Hij zocht contact met de Yanomami-indianen in het regenwoud van Venezuela, en leefde anderhalf jaar bij hen. Zijn werk concentreert zich allereerst op de taal, die voor hem het instrument van culturele verdrukking bij uitstek is, doordat vreemde machthebbers hun eigen taal opdringen.
Ook de jonge kunstenaar Dierk Schmidt anlyseert de economische betekenis van kunst en haar rol als decorum voor het bedrijfsleven, zoals in het werk Economic Talking Values (1999). Paul Ilegems 13.09.2003
|