|
Jan de Pooter
Work of a Sailor
Kunst komt in talloze variëteiten. Soms is het heel wat, zoals de Sixtijnse kapel van Michelangelo. Andere keren is het zo goed als niets, zoals een rij stoeptegels van Carl Andre. Het kunstwerk kan het resultaat zijn van jaren arbeid, maar evengoed van een plotse ingeving waarvan de realisatie slechts enkele minuten vergt. De investering van tijd, energie of kostbare materialen zegt ons niets over de kwaliteit van het werk, en de ontdekking van de minimal art bracht de kunstwereld niet minder in beroering dan het bijbelverhaal op dat beroemde plafond.
Maar meestal is kunst ergens tussenin, een creatie op gewone mensenmaat, die geen te hoge eisen stelt aan onze kunstfilosofische inzichten. De kijker kan dan zonder teveel denkwerk en onzekerheid grotendeels bevatten waar het om gaat.
Zo bijvoorbeeld het werk van Jan De Pooter. Zijn meest recente werk is een grote boot, gemaakt van gerecupereerde planken die hij heeft bewerkt met een teerlaag waarin zand gemengd zit, wat zorgt voor een nogal verweerd effect. Het vaartuig staat gestut, als in een droogdok. De galerie van Dagmar-De Pooter wordt er geheel mee gevuld en lijkt dus zowat een verplaatste scheepswerf. De boot staat naar de straat gericht en de Schelde is nabij.
Kan de boot varen? Dat niet, al zou hij beslist wat langer blijven drijven dan de ‘Scotch Gambit’ van Panamarenko. Hij hoeft ook niet te varen, want het is geen boot maar een kunstwerk. Hij is dus een idee, een concept, een expressie. Hij drukt iets uit dat niet in woorden wordt gezegd. L’invitation au voyage misschien, zoals het beroemde gedicht van Baudelaire.

Om beter te weten waar het over gaat is het raadzaam, andere werken van dezelfde kunstenaar erbij te halen. Jan De Pooter exposeerde in de jaren 1990 voornamelijk vogelkastjes en valiezen. Die zullen dus ook iets met reizen te maken te hebben. De fantasierijke vogelkastjes hadden soms vrij bizarre gedaanten. Als hij ze in zijn tuintje plaatste, kwam er wel eens een vogel in de buurt, maar erin wonen, nee. Daar leken ze niet echt voor bedoeld. Eén van de vogelkooien was gemaakt van een valies. Ik geloof dat ze bedoeld was voor trekvogels, grote trekvogels.
En valiezen dan: altijd weer en overal ter wereld zijn mensen onderweg, vrijwillig of gedwongen, naar een veilige of ongewisse bestemming. Allen slepen zij bagage mee, handzame valiezen van Samsonite, Delsey en Laurent David, exclusieve valiezen van Pierre Cardin, YSL of Vuitton, geïmproviseerde Derde Wereld-valiezen, of eenvoudigweg met touw omwonden kartonnen dozen en plastic zakken. Gebruind en zelfvoldaan, of doodop en vertwijfeld, bevolken zij luchthavens en busstations in de hoop ergens heelhuids aan te komen, goede wil en gastvrijheid te ervaren, de poorten open te vinden. Het zoeken naar geluk en geborgenheid kenmerkt zowel de toerist als de vluchteling.
De valies drukt een verlangen uit om elders te zijn. Maar Jan De Pooter maakte ook valiezen in beton, die niet te tillen zijn. De valies is dan een blok aan uw been, je zit eraan vast, je kunt er niet mee weg. De verleiding tot avontuur wordt een belemmering en een frustratie.
Of hij bevestigde het handvat van een valies op de muur, wat een mooie metafoor is voor het gevoel van opgeslotenheid, de onmogelijkheid om te vertrekken, de bedrieglijke illusie van mobiliteit. Maar tegelijk ook de wijze gedachte dat je altijd jezelf meeneemt, waarheen je ook gaat. Met dat handvat transporteer je als het ware je eigen huiskamer.
Met tientallen valiezen bouwde hij een metershoge poort, die op zichzelf al een toeristisch monument lijkt, een postkaart waardig.
En zoals je groteske vogelkooien had, zo had je ook groteske valiezen. In één ervan zat een opblaasbare haai geperst. Op een andere valies had hij melodische claxons gemonteerd (die pesterige autotoeters, die gelukkig al een tijdje verboden zijn). Met die valies kon je jezelf wel even in de kijker plaatsen. Heel wat opzichtiger dan met een valies vol kleurige vakantiestickers.
Op die manier lijkt Jan De Pooter zijn eigen werk te relativeren. Hij begint met een idee die een bepaalde lading bevat, vouwt die uit in een reeks varianten die de idee verrijken en verduidelijken, maar wimpelt ze uiteindelijk af door er een cartooneske wending aan te geven. Het werk krijgt een Tex Avery-gehalte, zoals hij het zelf uitdrukte.
Verder heb je nog zijn curieuze belangstelling voor openbare waterplaatsen, zeg maar: pissijntjes. In 1995 begon hij er foto’s van te maken, wat leidde tot een toeristische kaart van de stad waarop in plaats van musea en andere bezienswaardigheden alleen de openbare toiletten waren aangegeven. Het werk van een straatman, een verstotene, een balling.
En ook dit concept werd tot een kluchtig eindpunt gebracht, in de vorm van een mobiel en uitklapbaar pissijntje, dat je rond de hals kunt hangen om in alle discretie, en omringd door verbijsterde omstaanders, je gevoeg te doen.
Jan De Pooter heeft het misschien over verlangens en illusies, maar de dominante toon van zijn werk is in wezen heel feitelijk en nuchter. Al die illusies zijn de zijne niet. Zijn werk komt als bijzonder laconiek over.
Zelf zegt hij dat het enige ‘frisse’ werk dat hij ooit maakte een badkuip is, gevuld met blauw water, waarin onder de waterlijn een koperen patrijspoort zit gemonteerd. Het is inderdaad een vrij aanstekelijke idee. Stel even dat je in dat bad zit, en kopje onder gaat: dan heb je het gevoel van een onderwateryacht, of een huiskamerduikboot. Alles blijft goed gaan, zolang je niet te sterk in je illusie gelooft en de patrijspoort openmaakt. Dan loopt je bad meteen leeg en kun je gaan dweilen.
En nu dus die imposante zwarte boot, dat nomadische droomproject, waarmee hij zichzelf voor een serieuze uitdaging heeft gesteld. Je laadt dit gevaarte niet zomaar op een ‘remorque’, zoals een zeilbootje uit de botenwinkel. Dit is het project van een grotere knutselaar, die weet hoe hij de honderd-en-een technische problemen moet aanpakken. Monteren, demonteren, transporteren, hermonteren, stockeren. De kijker beleeft het allemaal mee.
Zijn schip heeft iets sombers, iets ontoegankelijks. The Ship of Doom! Le Bateau Lavoir! La Lugubre Gondola! Je kan het zo romantisch of dramatisch maken als je zelf wil, maar alleszins is dit geen vaartuig voor een zomers pleziertochtje op het Galgenweel.
Wie hiermee varen wil, zal genoegen moeten nemen met het meest rudimentaire comfort. En zijn lot in volle vertrouwen in handen leggen van de bouwer-kapitein.
Maar dat vertrouwen wordt door de boot zelf gegenereerd, want hij heeft tegelijk iets solieds en levenskrachtigs, alsook een bepaalde aandoenlijkheid, en het is in de combinatie van deze eigenschappen dat heel zijn emotionele betekenis vervat zit.
Een uitnodiging tot de reis, jazeker. Maar tegelijk ook, in alle nuchterheid: Back to Basics.
Een kind dat een ballon heeft (we veronderstellen even dat dat kind al eens een ballon heeft zien ontploffen) is zuinig op zijn ballon, en laveert handig tussen scherpe uitsteeksels en gloeiende sigaretten door. Het weet dat de ballon niet meer dan een broze illusie is, maar wil er niettemin zolang mogelijk van genieten. Het kind ontdekt dat die omzichtige bescherming van de ballon geen afbreuk doet aan het genot dat hij verschaft.
Zo ook die boot: hij dobbert heerlijk op de golfjes, zolang je hem niet te water laat. Paul Ilegems , Maart 2007.
De galerie is open van woensdag tot en met zaterdag van 14.00 tot 18.00 u.
|