|
Een droeve expo in het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten
Kitsch komt in twee soorten.
Je hebt de opzettelijke, overdreven kitsch, de enthousiaste aanfluiting van elke goede smaak, de kitsch die zich op exuberante wijze wentelt in zelfbewondering en van alle ernstige kunst een lachertje maakt. Beroemdste voorbeeld: Jeff Koons.
En dan heb je de doffe kitsch, de kitsch van de ellende, de droeve clowns- en tranende kindjes-kitsch, die ons in elke kringloopwinkel aangrijnst tussen een onherstelbare cafépiano en een afgedankte Turkse poef.
De eerste soort, de brillante kitsch, is vrij zeldzaam, de tweede is dat niet. De droefniskitsch wordt nog elke dag overvloedig geproduceerd in academies en avondscholen voor kunstonderwijs, en is ook alomtegenwoordig op het ‘hogere’ kunstniveau, zoals iedereen kan waarnemen die wel eens de Gentse kunstbeurs Lineart heeft bezocht.
De drollige werken van Paul Van Rafelghem, of Paul Van Hoeydonck, of Paul Van Gysegem (‘Paul’ moet wel een kitschnaam zijn), en verder ook van Yves Rhayé, Camiel Van Breedam, Veerle Dupont, Rik Poot, Carmen Dionyse, Jan Calmeyn en vele anderen bevolken in overstelpende aantallen de veilingen van Campo en Campo & Campo, De Vuyst en Van Langenhove, en wie zou opwerpen dat dit soort kunst toch stilaan tot het verleden gaat behoren, heeft het mis.
Getuige daarvan de op vrijdag 6 oktober 2006 geopende tentoonstelling ‘Gorgel’ in het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Gorgel is een initiatief van het KMSKA met Gynaika, en de werken werden geselecteerd “omwille van hun intensiteit en omgaan met intensiteit, hun ‘hangen’ tussen een beklemming en verademing, tussen iets dat opkomt en weer wegtrekt, tussen opkroppen en uitdeinen, tussen iets inkrimpend en uitzettend, tussen iets openend en sluitend, tussen een inademing en een uitademing, tussen iets op- en neergaand, enz.”, zo stelt de veelbelovende tekst.
Dat ‘enz’ aan het slot is veelbetekend. ‘Enzovoort’, dus. De emoties blijken oeverloos. En jawel - je ervaart die beklemming meer dan je lief is, maar de verademing blijft uit. Er wordt ook inderdaad vanalles opgekropt, maar van een uitdeining merk je niet zoveel.
Gorgel - de naam is treffend gekozen – is een idiote mix van zwakbegaafden en coryfeeën van de hedendaagse kunst, wat voor de zwakbegaafden erg vleiend is en voor de coryfeeën erg genant. Hooggewaardeerde figuren als Louise Bourgeois en Marlene Dumas zullen daar wel niet wakker van liggen, en iemand als Thierry De Cordier zal zijn deelname aan Gorgel klasseren als een beoordelingsfout. Maar Ensor (die er onbegrijpelijkerwijze ook is bijgesleurd) zou, gesteld dat men hem de vraag had kunnen stellen, wellicht heel onbeleefd geweigerd hebben.

Frida Kahlo, 1938. Girl with Death Mask, 15x11cm
Er is in deze tentoonstelling een verrassend werkje te zien van Frida Kahlo, op postkaartformaat. En op de wand waar ook een Ensor hangt uit de vaste collectie, zit een grote bronzen spinnenkop van Louise Bourgeois. Van dezelfde kunstenares zien we ook een reeks zeer recente etsen, die de lijn van haar vroegere werk continueren.

Louise Bourgeois, 1996.Spider IV, 203x180cm
Thierry De Cordier, evenwichtskunstenaar tussen kunst en kitsch, presenteert een aantal sterk pathetische en half erotische tekeningen over zijn moeder, die vergezeld gaan van maar ten dele leesbare, in potlood geschreven Franse teksten. In een meer neutraal verband zouden deze werken beter tot hun recht komen, maar in samenhang met het overige gegorgel worden ze haast ongenietbaar. Kunst is namelijk uitermate contextgevoelig – iets wat zelfs de beste kunstenaars wel eens uit het oog verliezen. Die denken dan (goedgelovig): ‘ach, het Museum voor Schone kunsten, daar kan ik geen kwaad mee stichten.‘ Desondanks.
In de context van Gorge(l) is elk werk al bij voorbaat geïnterpreteerd en in een kader geplaatst, dat keurig door Gynaika werd bepaald. Zo doet deze tentoonstelling wat nefast is voor elk kunstwerk: het een eenduidigheid opdringen. Het enige wat de kijker overblijft is te raden waarom het in de tentoonstelling werd opgenomen en hoe het daar moet fungeren.
Erg moeilijk is dat niet. Van Marlene Dumas zien we bv. de overbekende op haar rug drijvende vrouw, maar Gynaika heeft het wijs geacht er een drijvende man naast te hangen, want, nietwaar, drijven doen we allemaal, mits we eenmaal verdronken zijn. Van dit soort platitudes wemelt de hele tentoonstelling. Alles is plat-doordacht en plat aan mekaar geplakt. Je moet maar de pech hebben, daar als verstandig kunstenaar tussen te verzeilen. Gynaika zal uw werk wel een passend plaatsje weten te geven. En wat er per ongeluk helemaal niet bij hoort, hoort er dan ook helemaal niet bij – geen erg. Vertikaal gehangen neonbuizen die rondzweven binnen een megastructuur van kartonnen wanden, bijvoorbeeld. Dat zal dan ‘iets dat opkomt en weer wegtrekt’ zijn, wellicht? Wie in het Gorge(l)-monsterverbond zeker niet mocht ontbreken is Berlinde De Bruyckere, die internationale faam verwierf met beelden van treurende vrouwen die schuilgaan onder een armoedig deken uit grootmoeders linnenkast, of van verwrongen lichamen die op een rotversleten werkbankje ineengezakt zijn tot een ellendig hoopje mens. Ze deed het (godbetert) ook met paarden, waarbij zij de markante houdingen nabootste die deze edele dieren aannamen na een granaatinslag tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wie van hoog gezwollen pathos houdt, komt bij Berlinde aan zijn trekken. In de tentoonstelling Gorge(l) presenteert onze Vlaamse kitschprinses weer zo’n ineengeklapt vrouwspersoon met vieze lange haren die neerhangen tot op de grond. Want ja, dat is toch zo’n indroevig gezicht! De vrouw als eenzame demon, de vrouw als meelijwekkende heks! Als het beeld kon praten, dan zei het: “U ziet toch, hoe ellendig ik ben. Ik tors het ganse wereldleed! Hoe zou u met mij geen medelijden hebben?”
Berlinde doet het vakkundig, en haar mannelijke tegenhanger, kitschkoning Jan Fabre (die vreemd genoeg in deze tentoonstelling ontbreekt), zou bij haar nog een en ander kunnen leren.
Dan heb je nog de performancekunstenares Merlin Spie, die al eerder met Gynaika samenwerkte. Zij domineert de tentoonstelling Gorge(l) bij de ingang met een monumentale installatie, waarin melodrama en sentiment hoge toppen scheren. Spie spiegelt zich aan Marina Abramovic, en wie al een hekel had aan Abramovic kan dus de eerste zaal beter met gesloten ogen passeren.
Nog menig ander kunstenaar (m/v) is her en der vertegenwoordigd in de tentoonstelling, met soms valabel werk dat helemaal niets met Gynaika of het vrouw-zijn te maken heeft. Hoe Gynaikacurator Sofie Van Loo het allemaal aan elkaar praat blijft even onduidelijk als het wereldraadsel. Een kunstenaar (m/v) van enig niveau laat zich immers niet inlijven in een simplistisch denkpatroon, tenzij per toeval, of uit slordigheid. Gynaika weet altijd genoeg subsidie binnen te halen om een prestigieus project op te zetten, zodat er ook weer voldoende publiek komt, waardoor er alweer een groot Gynaika-succes geboekt wordt, en zo draait de molen verder, maar het blijft treurnis en miserie.
Het zal de bezoeker van Gorge(l) ook opvallen, dat de museumwanden opzettelijk slordig beklad zijn met witte verf, tot zo hoog de ladder reikte. En dit past dan weer wonderwel bij het hele concept, dat elk kunstwerk een zekere kunstmatigheid of geforceerdheid opdringt. Moet die beschildering de indruk van leed verhogen? Was er geen witte verf genoeg, kon Gynaika geen stelling betalen? Of wou de ‘vormgever’ (want die heb je ook nog, bij dat soort initiatieven) alles als iets voorlopigs accentueren, iets onafs, een poging tot, iets inkrimpend en uitzettend? (sic). Kortom, ook de ‘decoratie’ van de tentoonstelling is kitsch, hoe vrolijk-spontaan ze ook moge lijken.
Intussen blijft het mooi dat het Museum voor Schone Kunsten zich af en toe leent voor een expositie van hedendaagse kunst. Dat is al vaker gebeurd, en het leverde meermaals een memorabel resultaat. Hopelijk komen museumconservator Paul Huvenne , alsook Sofie Van Loo, spoedig tot boeiender gedachten. Wat evenwel impliceert, Gynaika uit te wuiven.
Alle dagen open van 10u tot 17u en zo van 10u tot 18u. Gesloten op maandag.
Paul Ilegems 07.10.2007
|