|
|

 |
|
kunst |
fictie |
non-fictie |
magazines |
strips | |
|
|
|
‘Op slot’, de nieuwe – psychologische – roman van Bernlef is niet dik, nog geen tweehonderd pagina’s én op klein formaat. En toch slaagt de auteur erin drie levens te tekenen wiens werelden na het lezen van het boek een andere betekenis krijgen dan wat men in het chronologische verloop verwachtte. Allereerst is er de 80-jarige IJsbrand Blok, een kunstschilder. Samen met zijn vriend, Dick Noordeloos, een fotograaf, sleept hij zich al jaren voort in de winter van zijn bestaan. Voor beiden is de kunst hun uitlaatklep, hun stokpaardje. Tot IJsbrand sterft, met een “’t is gelukt” als laatste woorden (wat die betekenen blijkt aan het einde van het boek). Noordeloos belt dan Karien, de dochter van de overledene. Zij zorgt voor het begrafenisgedoe en nadien zullen de twee, samen met een galeriehouder en een museumdirecteur, een retrospectieve tentoonstelling organiseren met alle – veel – werken die in het sterfhuis nog te vinden zijn. Op de meeste schilderijen staat IJsbrands echtgenote afgebeeld, Nadia, die al jaren in een inrichting verblijft. “Een jonge vrouw met smalle heupen en kleine borsten”, zo omschreef de schilder haar en vanaf dan vormde ze zijn, maar ook haar ideaalbeeld, dat zij bleef koesteren als was het haar levenstaak. Dat ideaalbeeld zorgde er ook voor dat Nadia er zich haar hele leven op focuste en aldus uitgroeide tot een concurrent van zichzelf, een spiegelbeeld van schoonheid dat quasi dagelijks door haar man werd vereeuwigd. Haar smetvrees en het zich afwenden van man (en dochter, die zij door haar geboorte verantwoordelijk achtte voor een mogelijke aftakeling) zorgden er voor dat zij zich in de artistieke creaties van IJsbrand als een gevangene voelde, als het ware geketend door zijn schilderkunst. Door de ontdekking van haar dagboek in een kamer die op slot was, komen Karien en Noordeloos aan de weet hoe Nadia’s versie van het verhaal luidt, van de beroemde schilder en de kwetsbare schoonheid waarmee hij zijn leven deelde. Zijn ontrouw en een mogelijk incestueus tussendoortje komen daar nog bij. Haar voortdurende, ondermeer cosmetische, struggle for life en zijn niet aflatende, norse dweepzucht, begonnen als een passievolle liefde en vergleden tot een ziekelijke obsessie, zijn de elementen van een gekende Bernlef-thematiek. Verval en eenzaamheid, vergeten en vergeten worden; we kennen onze Pappenheimer, denken we maar aan ‘Hersenschimmen’ en ‘Onder ijsbergen’. In ‘Op slot’ schildert Bernlef trefzeker met taal, zijn schrijfstijl is egaal en daardoor is zijn verhaal bescheiden maar zijn z’n dramatis personae geloofwaardiger dan ooit.
|  |
|
|
Uitvoering : Paperback,185 pagina's |
ISBN : 9789021453163 |
|
|
Prijs : € 16.95 |
|
Onrustvlinder
Anna Coudenys
|
|
|
| Het is niet dat ik jeugdliteratuur minderwaardig vind, maar tijdsgebrek zorgt er voor dat ik het genre nu niet direct geregeld overschouw. Ik ben echter van gedacht veranderd, nadat iemand mij attent maakte op het boek ‘Onrustvlinder’ van Anna Coudenys. De door uitgeverij Manteau georganiseerde persvoorstelling in de abdij van Male was op zich al een verademing; een public relations-gerichte kloosterlinge waarmee ik aan de praat geraakte, troonde me mee naar de kapel en toonde er een uniek kunstwerk: de kruisweg van Orval, een prachtige uit 14 houtskooltekeningen bestaande Calvarieweg van Albert Servaes. Mijn avond was toen al voor een deel geslaagd. Verder nog een archivaris van de abdij en iemand van het Brugse stadsarchief die de inleiding verzorgden bij de presentatie van het boek én uiteraard de auteur die enkele passages uit haar werk voorlas,… Maar laten we het hebben over het boek. Mocht dit in het Engels zijn uitgegeven en zich afspelen in Oxford - ik zeg maar wat - het werd onmiddellijk gebombardeerd tot bestseller. Het is dan ook van een meer dan behoorlijk niveau en zou het hier te lande dus goed moeten gaan doen: vlot geschreven, spannend – het is een echte, pageturner – vol mystiek en met de nodige intriges én daarenboven in een historisch juist context geplaatst: alle elementen zijn dus voorradig om een succes te worden. In deze tijden zijn religieuze bespiegelingen eerder een teken van onbehagen en desinteresse, veeleer dan van filosofische slagkracht. Toch zullen hedendaagse jongelingen en deernen met gevoel voor erfgoed en die geïnteresseerd zijn in het Vlaamse patrimonium, ongetwijfeld sympathiseren met hun generatiegenoten van rond 1500. Dit boek is gebaseerd op historisch correct weergegeven gebeurtenissen. Fictie en informatie wisselen mekaar af in een dankbare mix van feiten en veronderstellingen. De laatste pagina's bevatten enige historische uitleg én een woordenlijst, waarvan ik althans dankbaar gebruik heb gemaakt. Onrustvlinder is het verhaal van de 12-jarige Lowyze Adornes, de dochter van de 15de-eeuwse Brugse koopman Anselmus Adornes. De vertelling is gelardeerd met de avonturen van Seppe en Luigi, twee authentieke straatjongens. Haar kommerloze kindertijd brengt Lowyze door op de Brugse Verversdijk (waar de meekrap werd verwerkt en men lakens verfde), tot ze door haar vader ondergebracht wordt in de veilige Sint-Trudoabdij waarna ze zelf besluit om als non verder door het levend te gaan. Komen ook in het boek voor: Karel de Stoute, James III, koning van Schotland, Mary Stewart, zijn zus en haar latere echtgenoot Sir Thomas Boyd. Verder komen we ook nog Petrus of Pieter Christus tegen, een schilder, die leefde van circa 1410 tot 1472 of 1473, behoorde tot de school van de Vlaamse Primitieven en als de belangrijkste navolger van Jan van Eyck wordt gezien. Een prachtig geschreven boek, een potentiële bestseller en als bijkomend compliment: een uitstekend scenario voor een Europese historische film. |  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 264 pagina's |
ISBN : 9789022322574 |
Uitgeverij : Uitgeverj Manteau |
|
|
Prijs : € 15.99 |
|
De Afgezant van Rome.
Valerio Massimo Manfredi
|
|
|
TITUS ANDRONICUS, OP ZIJN CHINEES
“The most lamentable Romaine”, zo omschreef Shakespeare de intragische figuur van generaal Titus Andronicus. Het meest bloedige drama dat hij ooit op de scène bracht verenigt inderdaad alles wat verwerpelijk, afschuwelijk en niets ontziend is: kannibalisme, verraad, moord op moord op moord, haat, meedogenloze machtsstrijd om de keizerstroon. De gruwelijkheid gaat zo ver dat ze onwaarschijnlijk wordt, en als het ware uitnodigt tot pastiche en parodie. Dat is dan ook gebeurd, en wel op meesterlijke wijze in de film Theatre of Blood waarin een door miskenning én overacting krankzinnig geworden akteur Edward Lionheart (Vincent Price) zijn kritici een voor een ombrengt aan de hand van een toneelstuk van Shakespeare. Als de kok Titus Andronicus bereidt hij een pastei met daarin verwerkt de eigen ‘babies’ van de eetgrage, zelfingenomen poofter Meredith Merrydew (Robert Morley): zijn hondjes. Bij Shakespeare wordt de koningin der Goten, Tamora, uiteindelijk voor de wilde honden geworpen. In Theatre of Blood stikt Merrydew ten langen leste in het wrede gerecht dat Lionheart met dwang door zijn strot aanstampt.
De meest beklagenswaardige Romein heet in de pas vertaalde historische roman van Valerio Manfredi, L’Impero dei Draghi (2005), Marcus Metellus Aquila. De legerbevelhebber aan de oostgrens met het Perzische Rijk verliest zijn vrouw en raakt gescheiden van zijn zoon, als door verraad de stad Edessa valt, en hij met tien kameraden én keizer Valerianus wordt afgevoerd naar de Perzische ertsmijnen van Aus Daiwa. Na de dood van de keizer volgt een spektakulaire ontsnapping naar het Oosten, en komen de tien in dienst van de Chinese kroonprins, die zijn troon wil heroveren. Vandaar dat de Italiaanse titel van het boek nadrukkelijk verwijst naar ‘het Rijk van de Draak’ – de Nederlandse vertaling verlegt het aksent naar de lotgevallen van de held, ‘de Afgezant van Rome’. Voor beide valt iets te zeggen.
Manfredi, die zelf heel wat archeologische opgravingen rond de Middellandse Zee heeft verricht, en onder meer doceerde aan de Sorbonne, in Chicago, Venetië en Milaan, is vertrokken van een hardnekkige legende dat Romeinse soldaten ooit zijn doorgedrongen tot in het Chinese Rijk. Hij beroept zich op Homer Dubs die toponymische en militaire bewijzen heeft gezocht om die bewering aannemelijk te maken. Toch stelt hij in zijn nawoord onomwonden dat zijn boek puur verzinsel is, zij het tegen een achtergrond van échte, historische figuren en machtsverhoudingen in de derde eeuw na Christus. Dat is ook de sterkste kant van De Afgezant van Rome, de rekonstruktie van een minder bekend tijdsgewricht, en voor een keer niet strikt vanuit Westers oogpunt bekeken.
Minder geslaagd is de ongeloofwaardige overlevingskracht van Metellus. Hier ontaardt de roman in een peplum, een mantel- en degenfilm van de meest doorzichtige soort, met een onverwoestbare held (zelfs niet als hij voor dood blijft liggen in de arena, en al zijn botten gebroken zijn), melige liefdesgeschiedenissen, en een overdosis aan Oosterse gevechtsscènes met de vliegende vossen en de leden van de Rode Lotus, die niet misstaan in de grootste draken van het Hongkong-filmimperium van Run Run Shaw. Zodra het spektakel de politieke kuiperijen overstijgt, verzwakt het boek tot pure pulp.
Maar misschien is die popularisering net wat Manfredi beoogde. Hij is namelijk niet aan zijn proefstuk toe. In 1998 schreef hij al een beroemde trilogie over Alexander de Grote (vertaald in 24 talen inmiddels), daarnaast gaf hij nog een vijftiental historische romans uit, en geschiedkundige studies over de Kelten, de Etrusken, en de Grieken in het Westen. Die kennis verbreiden doet hij op alle manieren die de moderne media hem aanreiken: hij is een geziene TV-gast, maakte een film, schreef scenario’s, en werkt daarnaast ook als journalist voor Archeo en Focus. Toch is er één dimensie die me geregeld en soms mateloos ergert: zijn fascinatie voor discipline, autoritaire verhoudingen, en de superuomo, ideeën ontleend aan filosofen als Julius Evola, en wellicht ook aan zijn zeer katolieke achtergrond (niet toevallig gaf hij les aan de jezuïtenuniversiteit Ignatius Loyola in Chicago). Blinde volgzaamheid, geloof in gezag, ongebreidelde onderwerping, dat drijft alle personages in zijn romans. Nu wil ik best aannemen dat die ideeën typerend waren voor de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, maar het leidmotief blijft ‘Mijn eer heet trouw’. Waar hebben we dat nog gehoord ? Of is het toeval dat de vertaler op een onbewaakt ogenblik Metellus als duce opvoert ? (Dux had ik begrepen, de Italiaanse variant minder).
Wie afstand kan nemen van die geniepig ingeweven ideologie – vaak nog versterkt door het al even gekleurde thema van hechte kameraadschap (de leider wil geen privileges, de keizer deelt de nood van zijn onderdanen) – kan zijn voordeel doen met de uitdagingen die de geschiedenis heeft achtergelaten. Wie doorgaat op de koningsdrama’s en de verscheurdheid waaraan elk groot Rijk ten onder gaat, kan de Shakespeariaanse envergure van dit Zijderoute-epos leren waarderen. Wie daarentegen een beter begrip wil krijgen van het China van de Drie Rijken, leze beter Rafe de Crespigny of Achilles Fang. Manfredi ging het evenwel meer om de vermoedelijke kontakten tussen Oost en West. Hij heeft daarbij handig gebruik gemaakt van een bindfiguur in zijn boek, de Indische zijdehandelaar Daruma. Het maakt “het tamelijk zwakke bewijs” van Romeinse aanwezigheid in Lijian (nu Zjelazjai in de provincie Gansoe) in elk geval aannemelijker. Al zijn de blonde reuzen die in de omgeving van Lijian nog zijn aangetroffen wellicht even weinig Romeins als Chinees van afkomst. Misschien kan Manfredi een volgend boek wijden aan de Germaanse huurlingen die ingezet werden aan het oostelijk front, en de gevolgen van de Parthische oorlogen. Het ‘verloren legioen’ van Crassus’ zoon uit de eerste eeuw van onze tijdrekening bestond mogelijk wel uit noordse barbaren ?
Lukas De Vos, 7 november 2006
|  |
|
|
Uitvoering : paperback, 368 pagina's |
ISBN : 90 245 5737 2 |
Uitgeverij : Luitingh-Sijthoff |
|
|
Prijs : € 18.95 |
|
|
PANTOFFELHELDEN
Jef Geeraerts heeft een hoop vakantiekiekjes gemaakt. In Gordes, aan de voet van de Ventoux, in Isle sur la Sorgue, in Aigues-Mortes. En dat zullen we geweten hebben. Geeraerts is net als zijn hoofdpersonen Vincke en Verstuyft, het gesausde speurdersduo, een zeurderige betweter geworden. Ook dat zullen we geweten hebben. Small talk rond de babecue, bij een glas bandol rosé, een whisky sour, een marc de la côte rôtie of een pastis tord-boyaux. Zoals procureur-generaal Rancoeur steevast in spraakkunstig juiste subjonctifs spreekt, wekt Geeraerts door hyperkorrektie een even unheimliche vorm van hyperrealisme. Dat wisten we al van vroeger. Geeraerts heeft een manie om zichzelf en zijn opgedane kennis te bewijzen.
Ook nu weer kan hij het niet laten, al is het kontrast hilarisch tussen de zeventien voetnoten in Cro-Magnon, die veelal, zoals in de stripverhalen, naar andere albums van zijn reeks verwijzen, én de geneeskundige anneks over kankerbestrijding. Maar die techniek dreigt potsierlijk te worden. Want Cro-Magnon heeft als verhaal weinig om het lijf. Het is een kampvuurverhaal onder boy-scouts, met een rechtlijnig verloop, dat kreunt onder de kunstgrepen: de hond Brutus die een bovennatuurlijk reukorgaan heeft (bebloede handschoenen op een halfuur gaans, een schedel uit de duizend in een afkookhok), de plotse en ongeloofwaardige meegaandheid van ex-legionair en huurmoordenaar Dufourcq als hij op straat wordt aangehouden, zijn domheid om een onleesbaar tijdschrift mee te pakken op de plaats der misdaad, de doorzichtige natrekking van de telefoongesprekken (blz. 183-4), ach, er zijn al meer driestuiversromans met dergelijke kunstgrepen afgeleverd. Alleen de kern van de plot is geloofwaardig: een afrekening onder de Heren Specialisten. Niet dat er vier mogelijkheden zijn, zoals Geeraerts suggereert, er is altijd maar één echte aanleiding. Vrouwen. De afwezigheid van. De Jaloersheid. De Wraak. Het Geld. Misdaadromans gaan altijd over vrouwen en miskenning.
Maar Geeraerts begraaft de heilige oorlog tussen haatdragende chirurgen onder het geouwehoer van ouder wordende kameraden. Die zich zorgen maken over het Pleistoceen, over mikrogolven, de oerknal, Mittérand, de Assyrische ogen van Eva (want helaas begint Eva meer en meer te lijken op Eleonore, de vrouw van Geeraerts, in outfit en keuvelarij - “konijn” - en oosters uitzicht). Niet dat het de argeloze lezer stoort, maar het nut van de meeste uitweidingen en dialogen is hoogst mistig, om niet te zeggen beneveld. Misschien is de “dear old whisky sour” daar debet aan. De detailleringsdrift en de akribie van de juiste benaming – ik herinner me dat E.P. Jacobs ooit naar Japan reisde om in zijn Blake & Mortimerverhaal De Drie Formules van Professor Sato op de juiste wijze een vuilnisbak te kunnen tekenen; het internet bestond toen al wel – overwoekeren Cro-Magnon tot het een pedant, eigenwijs, belerend werkstuk wordt, dat niets meer heeft van de natuurlijke sterkte van Dossier K., maar alles van De Verhalentrommel van Oom Wim. Geeraerts heeft op zijn zachtst gezegd een snel maakstukje afgeleverd, dat bol staat van persoonlijke rankune en politiek tooggezwets. Dat hij Cro-Magnon – de titel verwijst overigens naar het reptielgeheugen dat een mens in een koudbloedig, moordend monster verandert, een voorprimitief wezen – laat aflopen op zijn Belgisch (de opdrachtgever gaat door korruptie vrijuit, de dader wordt ‘gezelfmoord’, de pantoffelhelden Vincke, Verstuyft en Louis Blanc die van zijn Germaine echt geen poot mag verzetten stemmen goedmoedig in met het onuitroeibaar bestaan van korruptie dat de rijken een hand boven het hoofd houdt en de slechterikken handig doet verdwijnen; “afrekening onder psychopaten”, is hun berustend oordeel; van verzet tegen de magistratuur of het gemanipuleerde onderzoek is geen sprake meer; Vincke en Verstuyft zijn waarlijk op pensioen), tot daar aan toe. Maar daar bovenop hele tirades over Chirac (toegegeven, de man heeft een zeepsmoel, en is geheel opgetrokken uit plastic, maar dat komt noch de beweegreden, noch de karakteriële ingesteldheid, noch de verhaallijn ten goede), over het contrat première embauche, over de flitspalen, over de Staatsveiligheid als terzijdes toevoegen, geen klisjee of Geeraerts haalt het op. Dit is écriture automatique en op bestelling, als ik het oneerbiedig mag zeggen.
Heeft Cro-Magnon dan geen kwaliteit ? Toch wel. Als je afstand kunt doen van de belerende nauwgezetheid en het aanmatigende m’as-tu vu, m’as-tu lu, dan steken er mooie beschrijvingen in het verhaal en enkele pittige karaktertekeningen. De beschrijving van de nachtelijke moordtocht, de portrettering van de hooghartige Buissac, de kus onder mannen, de autopsie door de minder cynische maar aantrekkelijk uitgestreken anatoom-patoloog Longueville, het zijn zeldzame uitschieters in een roman, die te schematisch gekomponeerd is, te haastig aaneengeregen, en die een drijvende kracht mist, een lijn van betrokkenheid en gedrevenheid. En ik kan best lachen met de zwierige burokratentaal die niet zou misstaan in een Belgische bekeuring: “Monsieur, ik ben in het bezit van een bevel tot huiszoeking vanwege de heer rechter van instructie van de rechtbak van eerste aanleg te Avignon, mede ondertekend door de heer procureuer van de Republiek” (blz. 202). Affirmatief, zoals elke eerste wachtmeester zou antwoorden. De Belgische lottotrekking kan er niet aan tippen (“de heer administrateur-generaal”). Maar het potje kookt wat te snel over. Al is dat misschien een beeldspraak die ik mij in het licht van sommige verzamelingen in Cro-Magnon beter niet veroorloof.
Lukas De Vos
|  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 140 pagina's |
ISBN : 904460743X |
|
|
Prijs : € 17.95 |
|
De Midasmoorden
Russell Andrews
|
|
|
GESPALKTE ONGEIN
Het leukste aan complottheorieën is dat ze volstrekt ongeloofwaardig zijn. Zo ongeloofwaardig dat ze voldoende onrust nalaten, om toch nog een kiem van onzekerheid te zaaien, die zich nestelt in je eigen gebrek aan begripsvermogen als het monster in Alien. Als het nou es écht zo was ? Ik had dat al toen ik de meest vergezochte parawetenschap las over het verzwolgen kontinent van Mu (Captain James Churchward), de speurtocht naar Atlantis (Clive Cussler, Andrew Collins), de buitenaardse konnekties met de ster Sirius van de oude Egyptenaren (Robert Bauval) of de Graal als eeuwigheidsmachine (Johannes en Peter Fiebag). Als het om politieke samenzweringen gaat verhoogt voor mij het waarschijnlijkheidsgehalte in een meetkundige reeks.
Ik was dan ook bijzonder blij dat mijn vriend Mark Van Oppen – de striptekenaar Marvano – met afgrijzen had gekeken naar Canvas, dat zich de naam van het betere tv-net aanmeet zoals De Morgen denkt onafhankelijk te zijn. Zijn woede werd opgewekt door de verdachtmakingen en verzinsels over de aanslagen van 11 september 2001. Marvano is geen sf-heidene, hij heeft The Forever War van Joe Haldeman in drie kloeke, hardkartonnen stripverhalen omgezet. Hij weet wat af van motoren en vliegtuigen en ruimteschepen, en was dan ook hoogst verbauwereerd over het gebrek aan elementaire kennis van die tuigen in de pseudo-onthullende dokumentaire Loose Change 2 van Dylan Avary, een knaapje van 22 dat denkt een genie te zijn. Niks erger in de wereld dan zogenaamd investigative journalism. De Von Dänikens verzinken erbij in het niet. Niet dus, Marvano stelt nuchtere, affrontelijk simpele vragen van gezond verstand: Hoeveel weegt een vliegtuig ? Hoe groot is de inslag van zo’n vliegtuig ? Hoe waren de Twin Towers gebouwd ? Afijn, de antwoorden daarop vernietigen zowat het hele doemdenken over kruisraketten, zelfontbranding, ingeplante bommen en zo meer. De CIA vrijgepleit – en juist daarom verdachter dan ooit.
Ik deel mijn vreugde (en obsessie) met Jo Van Damme. Niks fijners dan een heerlijke komplotteorie, een stuk boeiender dan sudoku’s of teologische disputen. Uitgangspunt van Avery – en Van Damme – is dat “de Amerikaanse regering zichzelf een nieuw Pearl Harbour kado heeft gedaan om vervolgens de Patriot Act door het parlement te jagen”, u weet wel, dat wetje dat zelfs scheten en fronsen bestempelt tot staatsgevaarlijk gedrag, en de Konventie van Genève waardeloos verklaart. Want al is Amerika dan wel “in oorlog met de terreur”, die oorlog laat geen oorlogsrecht toe (zoals: folteren mag natuurlijk, en gevangenen in bv. Guantanamo Bay mogen zich niet laten verdedigen). Je moet al een Bush zijn om zoiets onzindelijks te bedenken. En een Amerikaan om daar gladjes mee in te stemmen.
Dat hele komplot van zelf opgezette aanslagen om de politieke macht en de autokratie van een ambitieus (vice)president (of hij nu Cheney heet in het echt of Dandridge bij Russell Andrews) te bestendigen ten koste van de demokratische vrijheden, zet De Midasmoorden nauwgezet uiteen. Nieuw is het thema, zoals aangetoond, allesbehalve. Verontrustend evenmin. Literair, daar heb ik mijn twijfels over. Maar suggestief en tekenend voor een samenleving waarin niemand niemand meer vertrouwt, dat zeker.
De Midasmoorden hebben geen enkel verband met het gelijknamige boek van Pieter Aspe, die ten minste nog de moeite deed de mytologische draagwijdte van de figuur in zijn roman te verwerken. Midas (zoals het boek oorspronkelijk heette bij zijn verschijnen in 2005) rammelt. Zo geloofwaardig de speurder Justin Westwood in de steigers wordt gezet, zo flets reageren de partners, en zo doorzichtig en melig zijn de verdachten in dit verhaal. Midas begint krachtig, met een zelfmoordaanslag in een restaurant. Als later ook een piloot gelikwideerd wordt, en nieuwe aanslagen verwanten van de man ombrengen, als ook blijkt dat zowel het FBI als het ministerie van Justitie en de herverkiezing van het presidentiële duo belang hebben bij een klimaat van terreur en aanslagen, is het hek van de dam. Westwood wordt, uiteraard vanwege zijn eigenzinnig karakter, meegesleept in een maalstroom van bedreigingen, afpersing, geweld en valse liefde, het scenario van een doordeweeks TV-feuilleton. Niet dat Andrews zich opvallend vergaloppeert, hij houdt een strakke lijn aan, die helaas voor insiders van het genre vrij snel herkenbaar is (en die uiteindleijk ook kompleet bevestigd wordt). Maar Andrews zakt helemaal door de mand als hij puur menselijke situaties moet en wil beschrijven: van een hete seksnacht tot de volwassen gedragingen van kinderen. Het dampt en stoomt van de klisjees en de ongebreidelde matrijsbeschrijvingen. Midas zakt dan af tot onder het B-verhaal (“Ze had grote borsten, die uit haar beha leken te barsten”, blz. 278; sinds de sf-tekenaars uit de jaren vijftig nooit meer zo’n blaasbalg gezien), en is dus allicht niet toevallig bij Luitingh uitgegeven, dat geen ene moer maalt om meerwaarde. Voorspelbare ontspanning. Het is geen verwijt, maar het doet balen om alle gemiste kansen die een dergelijk thema had kunnen opleveren. Het enig eerlijke op de flap is dan ook dat er niet het modieuze ‘literaire thriller’ opstaat. Dat is het niet, en kan het nergens zijn. Erger is dat Midas vooral trendbevestigend werkt: roddel en achterklap zijn de maatstaf der dingen geworden, enige kritische analyse moet onderdoen voor het makkelijke populistische beeld van ‘politiek is altijd rot’, en ook: ‘er zijn nog altijd behoeders van onze vrijheden’. Dag Jan. Iets meer cynisme of iets minder imitatiekritiek had De Midasmoorden kunnen vrijwaren voor kleinburgerlijk welbehagen. Dat is niet gebeurd. Leg het boek dus weg. En lees deftige komplotteorieën.
Lukas De Vos
29-08-2006 |  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 398 pagina's |
ISBN : 9789024556823 |
Uitgeverij : Uitgeverij Luithingh |
|
|
Prijs : € 19.95 |
|
Bloedrode kersen
Roger Schoemans
|
|
|
RODE VAAN, ZWARTE PIT
In mei 2004 was ik samen met Roger Schoemans, oud-hoofdredakteur van Het Nieuwsblad, naar jaarlijkse gewoonte op ontdekkingstocht in de Westhoek. Roger rookt goedkope sigaren, en loenst fronsend van onder zijn grijzende wenkbrauwen. Hij maakt geen deel uit van Gaweel (Het “Genootschap van Ambassadeurs van de Westhoek, eerste en Enige Lichting”, oficieel aangesteld door de Goeverneur van West-Vlaanderen in het stadhuis van Veurne), want hij is een eenling. Maar hij is wel een trouwe reisgezel, die voldoende cynisch en stilistisch onderlegd is om te weten dat niets in deze wereld deugt, en zeker niet in hogere kringen.
Op een van onze wandelingen kwam het gesprek op thrillers. “Kan ik ook”, grommelde hij, “Daar is niks aan”. Ik grinnikte even, maar wist intussen van de uitgevers bij het Davidsfonds dat zij broedden op een reeks speurdersverhalen, die kon wedijveren met de Manteaustal. Wat later kreeg ik hun aanbiedingsfolder. Met daarin aangekondigd Penetraties (overigens zeer letterlijk te nemen), de eersteling van Schoemans. Eersteling, nou ja. Al sinds 1983 ontpopte hij zich tot uiterst verdienstelijk jeugdschrijver, met ettelijke bekroningen door de kinder- en jeugdjury. Penetraties was andere koek, skabreus, ongeremd, sarkastisch, en in één geut geschreven op enkele weken tijd. Wat te gortig voor sommige leden van de jury die de Hercule Poirotprijs toekent. Maar ook zij waren niet blind voor de scherpe pen, de integere verhaalsopbouw, en de ongezouten afkeer van alle kunstmatige houdingen en gedragingen, die politiek, pers en kunstwereld veelal te onpas tentoonspreiden. De opvolger, Zwarte Suiker (2005), kreeg dan ook terecht een nominatie voor Vlaanderens hoogste thrilleronderscheiding.
Nu ligt Bloedrode Kersen voor, als vanouds gesitueerd in Haspengouw, als vanouds met het illusieloze duo Geo Joosten, fotograaf bij sensaties genade, en onderzoeksjournalist Piet Schraepen, die zijn informatie niet uit de computer haalt, maar aan de toog, en waar het echte nieuws te vinden is: onder de mensen. En dat geregeld misbruikt om de zwakheden in onze overgereguleerde samenleving uit te buiten. Schraepen speelt handig de uiterst rechtse neigingen van substituut Desclée (ongetwijfeld een sneer naar oud-uitgever van schoolse schoolboeken Desclée De Brouwer) uit tegen de zwakke plekken van onderzoeksrechter Liesens (die alle moeite heeft om zich staande te houden in de machowereld van justitie) en het linkse populisme van volksmenner Jocelin. Schoemans verweeft handig de teloorgang van ambachtelijke streekindustrie met een vunzige erfeniskwestie, die uiteraard een familiegeheim verbergt tegen de achtergrond van de kollaboratie. Het ziet er ingewikkeld uit, vooral als de auteur dan nog een homofiele, kunstliefhebbende chauffeur van de rijke kwezel en fabriekseigenares Pirlet een sleutelrol toebedeelt. Of de verdachte ook de dader is, moet ik in het midden laten. Maar zeker is dat de grensstreek tussen de Antwerpse Kempen en het diepe Limburg een gedroomd kanvas vormt voor gefluister, komplotten, haatdragende vetes, gekonkel, en wijdverbreide korruptie. Het achterklapcircuit gaat er sneller dan de feiten, de feiten sneller dan het onderzoek, het onderzoek sneller dan de oplossing, de oplossing sneller dan de echte oplossing. Zodat niemand er slechter, en vooral niet beter van wordt.
Ik ben het met mijn goede vriend Fred Braeckman volstrekt oneens dat plot en personages kompleet ongeloofwaardig zijn. Ze zijn bij de haren getrokken, zeker, maar wie een beetje de geschiedenis van de Limburgse kollaboratie, of van Meensel-Kiezegem, of van Breendonk kent, weet dat de geschiedenis de vooroordelen achternaholt. Niets is erger dan de dorpsomertà, die afrekeningen tot in het oneindige blijft aanstoken. Schoemans heeft het onverdraagzame, blufferige Vlaanderen daar gepakt op zijn zere plek. Een Vlaanderen waar de heemkundigen vaak een verderfelijker rol spelen dan de schijnheilige burokraten. Waar afpersing de kern van de gemeentepolitiek uitmaakt, en afkeer van vreemdelingen (zeker als het bastaarden zijn) de rangen doet sluiten.
Schoemans heeft met Bloedrode Kersen een luchtige, maar azijnrijke ideeënroman afgeleverd, die in het thrillergenre weinig gelijkenissen vindt. Herkenbaarheid staat niet voor autobiografie, wel voor teveel verwerking van onopgeloste en onoplosbare wrangheid, en voor het besef van onmacht om de bekrompen dorpswreedheid te doorbreken. Dat sommige passages een Ensoriaanse omvang aannemen, mag niet verbazen. De beschrijving van de bedevaarders van Emmerence Schruers in hoofdstuk zes tart alle karikaturen die ooit van het donkere Vlaanderen, dat bijgeloof koppelt aan eigenwaan en eigenbelang, gemaakt zijn. Net daarom komt dat stuk zo geloofwaardig over. Want als er één boodschap is die de moord op de rijke weduwe Alice Pirlet uitdraagt, dan is het wel: de kwezels zijn nog steeds onder ons, en ze zijn dat ongenadig. Kijk over uw schouder, want hun medestanders zijn ongelovig maar meedogenloos. Schoemans werpt zich stilaan op tot de doodgraver van de kristelijke smet die het Vlaamse achterland in de ziel is gebrand. Zelfcensuur heet de doodzonde van dat land. En daar helpen geen boerenjongens – kersen op sterk water – tegen.
Roger Schoemans, Bloedrode Kersen. Leuven, Davidsfonds 2006, 240 blz.
Lukas De Vos
5 juni 2006 |  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 240 pagina's |
ISBN : 906306540X |
|
|
Prijs : € 18.95 |
|
|
SALTO MORTALE
Grand guignol, daar gaat het werk van Bavo Dhooge steeds meer op lijken. Bij zijn debuut leek hij een van de meest onderlegde, aanstormende talenten. Maar Dhooge bezondigt zich aan mateloze overproduktie. Hij debuteerde pas in 2001 met Spaghetti en een paar verhalen in Sampel. Maar hij maakte ook scenario’s voor VRT (Sedes en Belli) en VAF, hij scheidt jeugdboeken af als een waterhoos, hij levert brokjes af voor Humo, hij treedt op en af, levert verhalen voor Che, is copywriter, recensent en interviewer, en dan nog doe ik hem onrecht aan. Maar zijn schrijftruukjes gaan steeds meer een eigen leven leiden. Dat is jammer, want de hoofdpersoon in zijn S-reeks (bijna twintig romans intussen, waarvan elke titel met een S begint), Pat Somers, riep van bij het begin warme herinneringen op aan de tot dan toe enige humoristische thrillerschrijver, Bart Holsters en zijn ‘held’, de klunzige privédetektive Jean-Pierre Willems, “gescheiden, dertig, en depressief”.
Het enige wat ik Dhooge aanwreef in zijn eerste romans was hun gekunstelde struktuur: vaak had ik de indruk een stadsplan van Gent te lezen, stevig bij de hand gehouden door een schrijver die dacht dat ik anders de weg niet zou vinden. Dat is intussen gebeterd, Showtime is geborsteld tegen een veel natuurlijker kanvas dan pakweg SMAK of Strafschop. Het probleem van Dhooge is dat hij nu stilistisch voortdurend uit de bocht gaat, in een poging om de humor nog nadrukkelijker voor het voetlicht te brengen. Dat uit zich in vergezochte vergelijkingen (“Beda was Beda, en cooler dan een frisco”; “Haar oorbellen waren minihoepeltjes waar een kanarie met veel plezier in en uit had willen springen”), metaforen met de soeplesse van een rund, en ongepast dialektgebruik dat wellicht bedoeld is om de naturel van de omgeving te verhogen (“Jongens, dienen Bonte es mij dadde ne toch een zoagkonte”). Toch goed gevonden, hoor ik Dhooge al zeggen. Ja, elke vondst apart misschien, maar niet in de ophoping die hij ervan maakt. De tomeloze uitvergroting pakt niet, zij stoort danig de afwikkeling van een vrij originele plot. Dhooge heeft meer onderkoeling (en een goeie eindredakteur) nodig, meer traagheid, meer nalezing, én een mentor die hem intoomt. Elke bladzijde geeft de indruk dat hij geforceerde grappen voor Humo wil bedenken.
Showtime heeft hij natuurlijk wel leep aangepakt. Door de hele roman een kaderstruktuur te geven, met een would-be cirkusaankondiging die Pat Somers in volle overdrive lanceert, en een afrondende epiloog met de dooddoener van een wijsheid: “Het enige werkelijke is de illusie”. De wereld van het cirkus en de freakshow leeft inderdaad van de make-believe. Het is altijd een wereld van overbodige gebaren, rituele spanningsmomenten, koude konten op houten banken, hysterische aankondigingen, ontembare clichés, en een liederlijk bestaan. Dat heeft Dhooge perfekt verwerkt. Het cirkus zet zich voort in het alledaagse leven van de Gentse Feesten, en in de knetterende knipperlichtverhouding tussen het politie-onderzoek van inspekteur Bonte en de wankele trial-and-error-methodes van de schlemiel die Somers is. Showtime is een moderne versie van Klein Duimpje, een gruwelijk sprookje dat zoals het hoort wreed is, onbarmhartig, tot het onmenselijke toe. De broodkruimeltjes zijn nu afgehakte ledematen geworden, het krachtvoer de persoonlijke trivia van Somers die bij de resten gevonden worden. De monstertjes die de cirkuswereld bevolken larderen de boze-sprookjeswereld als trollen. Dat is allemaal knap, net als de subplot van de begrafenisondernemer. En er is ook plaats voor drama, met de misval van Somers’ ex-lief Laura. Een ongeloofwaardige mix misschien, maar wel in goeie Rabelaistraditie.
Waar Dhooge het voor een stuk vergooit is in de vermenging van genres. Wat hij voor persiflage houdt is hooguit een bewonderenswaardige verkooptruuk, wat moet doorgaan voor spitse humor verzandt te vaak in weggegeven fiorituren. Het woeha-gevoel gaat overheersen. En het breekt de lektuur op. Dat gaat van populistische weggevers tot pure uitmelkerij. Van: “Ook al geloof ik niet veel in vloeken, behalve dan de vloek van het Vlaams Belang die over het land was uitgesproken” tot een passage als deze: “Ik was bijna bij het tafeltje toen ik op een lijk stootte. Even had ik de reflex mijn blaffer (blaffer, jezusnogaantoe !) tevoorschijn te halen, maar toen besefte ik dat een lijk hier even gewoon was als een Chinees in Chinatown (Somers is bij de begrafenisondernemer). Ik liet mijn blaffer (nog maar es) dus zitten en bekeek de witte van dichtbij. Het was een man van in de vijftig met een korte baard, een bril, en al zijn kleren nog aan. Hier was iets niet pluis (nee toch ? Dat zei Vandersteens Bert, de Lustige Trekker, ook altijd). Ik betwijfelde of een lijk een bril nodig had om te zien waar hij heen ging. Er viel natuurlijk van alles te zien en te bezoeken als je de Grote Tocht maakte, maar een beetje discretie is altijd meegenomen. Dit lijk had totaal geen stijl. Het had niet alleen een bril op, maar het had ook nog eens al zijn kleren aan” – en dat gaat zo maar door, Dhooge weet niet van ophouden (de kommentaren tussen haakjes zijn van mij). Hij blijft maar opstapelen. En dat past in de cirkusomgeving, maar dat kun je niet doortrekken in de wereld daarrond. Gerokken frivoliteit wordt flets, gespeelde spitsvondigheid wak, en het totale verlies aan kontrastwerking maakt het verhaal melig. Als overrijpe bananen, zou Dhooge er ongetwijfeld aan toevoegen.
En dat is bijzonder spijtig, omdat met enige begeleiding Dhooge allicht een van onze beste thrillerauteurs kan zijn. Hij heeft verbeelding, hij is niet te beroerd om zichzelf (en zijn personages) te relativeren, hij is een geboren handelsreiziger in kolder, hij kan de psychologie van karakters zonder kunstgrepen omzetten in verhaalsdaden. Als Dhooge ophoudt voortdurend zijn eigen vondsten te bekommentariëren, en die kommentaren dan ook nog op te nemen in zijn beschrijvingen, dan staat een schrijver op die de scenarist alle eer aandoet. Scenario’s ontwerpen is een kolfje naar de hand van Dhooge. Nu alleen het trimmen nog. Het is goed dat hij de Schaduwprijs als beste debutant heeft gekregen, het is nog beter dat hij voorlopig geen Hercule Poirotprijs of Diamanten Kogel is toebedeeld. Het zou hem nog minder scherp houden, en sterken in het geloof dat het ridikule een veredelde vorm van platbroekenhumor is. Of erger: van satire. Quod non, zoals mijn vroegere baas steeds zei.
Lukas de Vos
18 mei 2006
|  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 208 pagina's |
ISBN : 90 6306 538 8 |
|
|
Prijs : € 18.95 |
|
|
Ik moet als een der eersten, zo niet als allereerste, ooit Pieter Aspe geïnterviewd hebben voor de radio. Manteau begon toen net aan een thrillerreeks, die twintig jaar later een suksesformule én een goudmijn bleek te zijn. En ere wie ere toekomt, het was de dichter Lionel Deflo die met de idee op de proppen was gekomen. Maar het is Wim Verheije die de schrijversstal opbouwde. Ik was in 1995 verrast door Het Vierkant de Wraak, omdat het even pretentieloos als zonder haperingen een misdaadverhaal bracht, dat ik in één trek kon uitlezen. Zeventien afleveringen verder is inspekteur Van In nog altijd even nurks, en steeds meer een karikatuur van zichzelf geworden, heeft Hannelore een volwaardige rol gekregen, en krijgt het intimistisch drama van de bedeesde en schroomvallige driehoeksverhouding met Van Ins homofiele kollega Versavel diepmenselijke trekjes, zeker in Zonder Spijt, omdat het verdriet om zijn vermoorde (en ontrouwe) vriend een milderend effekt heeft op het rauwe thema dat Aspe weer bovenhaalt: de Bende van Nijvel. Het leuke is dat Aspe geen faction thriller maakt van het al zo vaak uitgezwengelde thema (overigens was ik ook de eerste om Bob Mendes te interviewen over Bestemming Terreur en Dag van Schaamte eind jaren tachtig; Aspe is dat minder vergeten dan Mendes). Aspe zoekt geen verantwoording om de komplottheorie – de poging van rechtse militairen en de toenmalige rijkswacht om het land te destabiliseren en een autoritair bewind te in te stellen (intussen eigenlijk onnodig gebleken met de sluipende installatie van een regelrecht bespiedingssysteem) – als uitgangspunt te nemen. Regelrechte fantapolitika heeft vaak realistischer effekten dan een factionthriller. De kracht van Aspe is dat hij de misdaad de karakters niet laat overwoekeren. Machtsstrijd en moord zijn ijkpunten in een landschap, maar het zijn de personages die moeten bewegen, veranderen, en de kleuring geven. Het is bon ton op tijd en stond onopgeloste massamoorden weer op te rakelen. Onderzoeksjournalisten als Georges Timmerman of René De Witte bijten zich als mangoesten vast in dergelijke onverkwikkelijke zaakjes uit de maffieuze kaste die het voor het zeggen heeft in dit land (niet dat het elders beter is, Sjöwall en Wahlöö waren bij de eersten om het sociaal paradijs Zweden al te ontmaskeren als een would be-diktatuur). Dat ook een schrijver dergelijk thema oppikt, het is gefundenes fressen voor wie krap in verbeelding zit. Bij Aspe heeft die krapte te maken met zijn hoog produktietempo: op twaalf jaar al achttien turven met Van In en Versavel uitbrengen, daarnaast nog wat jeugdboeken schrijven, televisiereeksen begeleiden, en op tijd en stond verschijnen waar het moet (één miljoen romans verkopen, dat moet je verdienen, elke dag) – en niet te vergeten, ook geregeld een Duvel drinken, het kruipt niet in de kouwe kleren. Wel in de verbeelding. Dus zal het wel geen toeval zijn dat twintig jaar na de laatste aanslag van de Bende een geheugenopfrissing best wel kan. Zoals het ook opvalt dat net nu P-Magazine een hele reeks heeft gewijd aan de bedenkelijke rol van de Staatsveiligheid en het vreemde geval van “de zwarte baron”, de Bonvoisin. Graafwerk en verdichting, ze versterken elkaar. Eén voorbeeld maar: Aspe voert ene kommissaris Acke op, die tijdelijk het bevel krijgt over het onderzoek. Het zal hem slecht vergaan. Ongetwijfeld is deze Acke gemodelleerd naar substituut Willy Acke van het parket van Dendermonde, die destijds zelfmoord pleegde, toen hij van het onderzoek naar de Bende van Nijvel was weggehaald. Maar juist daarom zou het fout zijn Aspe te gaan takseren op het werkelijkheidsgehalte van Zonder Spijt. De sterkte van deze roman, ik zei het al, zit in de stevige, volgehouden greep op de karakterontwikkeling. De zwakte in de gemakkelijke, soms ronduit flauwe toogkommentaar over politici, media, deurwaarders, advokaten, en bazen tout court, net als in wat Fred Braeckman “de typisch aspeaanse vergelijkingen en bedenkingen” noemt (zoals; “De Kee had evenveel zin voor humor als een os in seks”, haha). Dan toch liever een karikaturaal personage als wetsdokter Zlotkrychbrto (de Poolse zuiplap, een alter ego van Marten Toonders Professor Prlwytzkofsky). De kracht van Aspe is altijd geweest dat hij zich niet stoerder wou voordoen dan hij is (het Sluzny-syndroom), dat hij geen overmatige eruditie aan de dag wil leggen (het Jef Geeraerts-syndroom), dat hij geen zichzelf geen unieke originaliteit toedicht (het Bob Mendes-syndroom), dat hij stilistisch helder, krachtig en sec blijft, dat hij struktureel een rechtlijnige opbouw huldigt, die mag uitmonden in een soms aangedikte finale. Zoals op de Kemmelberg in Zonder Spijt de hulptroepen “als vier engelen aan touwen uit de hemel neerdaalden. Ze droegen blauwe pakken en ze spuwden vuur”. Van In gered, de deus ex machina lost in een versnelde scène een langzaam opgebouwde klimaks op, en een kassettebandje legt snelsnel nog de achtergebleven vragen uit. Misschien wat geforceerd als einde, maar het blijft aardig uitgewerkt (en de 300 bladzijden waren bereikt). Het prettigste is dat Aspe altijd in zijn achterhoofd blijft houden dat hij onderhoudende literatuur schrijft. Zijn relativeringsvermogen hertekent de zwaarste trauma’s tot hun ware grootte en hun waar belang. “Als in Irak vijftig mensen omkwamen in een bomaanslag keek niemand daar nog van op, de schietpartij op het parkeerterrein van de supermarkt zou België in rep en roer zetten”. So far voor alle opgefokte massahysterie en “spontane” verontwaardiging en rituelen van politiek korrekt denken uit angst als afwijkende, harteloze klomp bekeken te worden. De aktualisering die Aspe hier aanbrengt door zijn verwijzing naar Irak, kon evengoed gelden voor de overreakties die de zaak Dutroux, of dichter bij huis, de stationsmoord op Joe of de wilde schutter in Antwerpen hebben gekenmerkt. Het is wellicht in dit soort details dat Aspe zijn grote aanhang verdient. Hij is voldoende afstandelijk om ook de kleine gevoelens hun werk te laten doen. Hij is voldoende betrokken om te beseffen dat veel emoties machtgestuurd zijn, aangepraat zijn, hooguit televisiediepgang hebben. Zegt hij het zelf niet in De Morgen ? “Miserie is amusement geworden”. Het leidt af van het echte leven, dat van nature uit chaotisch is, zoals het leven van Van In. Amusement en voyeurisme (van Big Brother en realityshows tot De Pfaffs of Temptation Island, en van Het Leven zoals het is tot de rechtstreekse uitzendingen van de debatten in het Vlaams Parlement) gaan door voor betrokkenheid. In werkelijkheid vertroebelen zij de kijk op die werkelijkheid, vernauwen ze tot tweedimensionale, platte beeldjes. Het ergst van al is de illusie van interaktie. Ik heb nog kollega’s gehad die op kantoor naast mij zaten en me een nota langs de binnenpost stuurden, die me dan twee dagen later bereikte. Aspe rekent voortdurend af met die pseudokommunikatie, met het waanbeeld van de paperless office, met de reduktie van de mens tot producerend, “efficiënt” radertje van de zelfvoedende verslindmachine die groei en ekonomie heet. De ultieme kracht van Aspe is Van In, die lomp is, zijn mond voorbijpraat, mensen uitscheldt, jaloers is op zijn vrouw, zich te pleuris zuipt, vriendschap heeft voor een homo in wie hij het homo-zijn haat, naar de bakker gaat, uit zijn bek stinkt, en zijn werk doet, wat anderen voor koppigheid of eigenzinnigheid houden. Van In maakt fouten, gelukkig maar. Als er één model is voor kommissaris Witse, dan was het Van In. De herkenbaarheid van het onaffe, van het tekort, verklaart meteen ook de sympatie die de lezer opbrengt voor de personages. Ze trekken aan en stoten af, ze laten identifikatie toe maar even goed kritiek – ut moveat, ut doceat, ut delectat, zeiden de Romeinen (om maar es een van de trivia te gebruiken, “om de draak te steken met de mensen die menen dat ze hun boeken moeten volstoppen met dergelijke weetjes”, aldus P.A. in GvA van 29 april). Ontroering, belering, ontspanning. Er zijn er weinigen die het beter gestalte geven dan Pieter Aspe. Zonder Spijt is niet het sterkste verhaal van de reeks. Maar wel een met diepgelaagde karakters. En een ontzettend verlangen naar nog. (Die ‘nog’ zal zich in Antwerpen afspelen, een verademing voor wie stilaan versteend geraakt in de Brugse kroegen, en de panden die al even historisch zijn als de hallen van Ieper. De wereld wil nu eenmaal bedrogen worden).
Lukas De Vos, 15 mei 2006. |  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 298 pagina's |
ISBN : 90 22319644 |
|
|
Prijs : € 19.95 |
|
Het satijnen hart
Remco Campert
|
|
|
Na Een liefde in Parijs, een boek over een schrijver van de hand van Remco Campert, dat De Bezige Bij twee jaar geleden uitbracht, is “Het satijnen hart” een volgende psychologische vertelling van deze literaire grootmeester die mij in een ver verleden overrompelde met Het leven is verrukkulluk, Liefdes schijnbewegingen en Tjeempie! of Liesje in Luiletterland (gepubliceerd onder de naam Remko Kampurt). Tientallen jaren later, op 77-jarige leeftijd bestaat hij het een boek te schrijven dat zowaar nog meer literair genot verschaft. Het is het verhaal van Hendrik van Otterlo, een beroemde schilder van tegen de tachtig die met één voet in zijn graf staat en gestopt is met zijn métier uit te oefenen, in tegenstelling tot zijn vriend, vak- en geestesgenoot Jongerius jr. die dapper voort penseelt. Samen delen zij heel wat herinneringen, zowel amoureuze als artistieke. Ook voor dit boek kon Campert putten uit zijn rijke verleden, toen hij met de Vijftigers naam maakte, in Parijs vertoefde en omging met kunstenaars uit alle windstreken. Nu, in de winter van zijn leven, na de dood van een geliefd wezen, wordt hij gedwongen tot een ultiem nadenken over zijn leven en werk en zijn relatie met de liefde en de kunst. 90 234 1924 3
|  |
|
|
Uitvoering : Gebonden, 190 pagina's |
ISBN : 90 234 1924 3 |
Uitgeverij : De Bezige Bij |
|
|
Prijs : € 16.50 |
|
De Trudeau Factor
Juris Jurjevics
|
|
|
|
Uitgeverij The House of Books breidt langzaam zijn aanbod in de breedte uit. Ook met thrillers. Het was een gelukkige zet Mieke De Loof haar debuut aan te bieden. Met Duivels Offer kaapte ze in 2004 meteen de Hercule Poirotprijs weg. Het jaar daarop kreeg Tony Coppers (Dixit) zijn kans. Maar het aksent ligt toch vooral op vertaald werk. Ook daar tast de uitgever met debuten de markt af. Zopas verscheen van Juris Jurjevics, een naar New York uitgeweken Let en zelf uitgever bij Soho Books, de ijzige ekothriller De Trudeau Factor.
Het is een gedurfde en tot op zekere hoogte geslaagde apokalyptische wetenschapsroman, die zich afspeelt op een geavanceerde Canadese basis op de Noordpool. Jurjevics vermengt met verve zijn aanklacht tegen het wapenopbod tussen de grootmachten, de vervuiling van het milieu met kernafval, en een geneeskundig onderzoek naar drie gelijktijdige sterfgevallen op de basis. Misdaad en wetenschappelijke ontsporing gaan hand in hand. Op een ogenblik dat Christine Van Broeckhoven als beste Europese wetenschapster in de bioneurologie de hooggewaardeerde prijs L’Oréal krijgt, komt de uitgave van De Trudeau Factor op het uitgelezen moment. Hoofdpersonage is immers de vrouwelijke gescheiden biologe Jessie Hanley, die in haar zoektocht naar het dodelijk gif dat in een oogwenk ogen en bloedcellen doet oplossen, en slachtoffers in pijnlijke verkramping laat stikken, steeds meer persoonlijk getroffen én geviseerd raakt in een driedubbel komplot: een wetenschappelijk opbod, persoonlijke afrekeningen, en een politiek steekspel dat voortvloeit uit de Koude Oorlog en de wapendreiging.
Het probleem met Jurjevics is dat hij tveel thema’s tegelijk wil aandragen. Behalve een hoogwetenschappelijk onderwerp toegankelijk en bevattelijk voorstellen (zoals bij Michael Crichton of Robin Cook), moet hij ook de vereisten van de klassieke thriller inbouwen: met misleiding dus, met aftakkingen, met een valse oplossing, en met dooreenlopende verhaalslijnen. Wellicht had hij beter direkt gekozen voor de wetenschapsroman. Nu overwoekeren zwakke passages het ritmisch strak en traag gehouden verhaal. En het is geen toeval dat die te vinden zijn in de persoonlijke verhoudingen (de liefdesscènes durft zelfs Ward Ruyslinck niet meer te schrijven). Een tweede valkuil waar hij geregeld – soms noodgedwongen – in trapt is de belering. Als Jurjevics feminisme, antropologie, sociale rechtvaardigheid én geopolitiek in elkaar wil laten overvloeien, dan breekt geregeld een lasnaad. Vooral over de eskimo’s (Inuit) en hun kultuur, over de militaire uitrusting van duikboten, en de taxonomie van de geneeskundige benadering overschrijdt hij te vaak de drempel die literatuur zichzelf moet opleggen om geen traktaat te worden.
In Amerikaanse kritieken zijn vergelijkingen met Forsythe (The Day of the Jackal), Michael Crichton (The Andromeda Strain), John Le Carré (Gorki Park) en zelfs Peter Hoegs Smilla’s Sense of Snow niet uit de lucht. Het is teveel eer voor een debuutroman die veelbelovend is, en wellicht nog het meest moet aangezien worden als een slappere versie van echte Koude Oorlogromans als Ice Station Zebra van Alistair MacLean. Jurjevics haalt niet het nivo van een bestseller, omdat hij nog onvoldoende greep heeft op het komplekse plot (dat hij wel op degelijke wijze ontwikkelt) en teveel uiting wil geven aan de obsessies van de ‘liberals’ in New York. De vertaling van Harry Naus is vlot, maar soms wat houterig, en de uitgever moet zijn teksten beter laten nalezen op zetfouten. Ook de flap getuigt niet bepaald van veel durf of verbeeldingskracht. Maar misschien was dat gepast bij Jurjevics, die, zoals Publishers Weekly terecht opmerkte, vooral wetenschapsfanaten zal aantrekken.
Lukas De Vos, 20 maart 2006. |  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 367 pagina's |
ISBN : 904431467X |
Uitgeverij : The House of Books |
|
|
Prijs : € 18.50 |
|
Het Laatste Lijk
Londersele
|
|
|
MOEIZAME RELATIES
Er staan teveel vraagtekens in de nieuwe, tweede thriller van Londersele. En er vallen onnodig veel doden in ‘Het Laatste Lijk’. De voormalige stadsdichter van Gent, met wie ik in mijn jeugdjaren nog de letterkundige tijdschriften ‘Restant’ en ‘Koebel’ uitgaf, en die toen nog voluit Roel Richelieu Van Londersele heette, ene knap lief had, en nog een bos haar droeg, heeft er zich iets te makkelijk van af gemaakt.
Zijn eerste stap in het genre, ‘Onzichtbaar’ (2004), was een meer dan verdienstelijke poging. Londersele schiep een opvliegende, eigenzinnige, en emotioneel verscheurde speurder, Vereecken, die ook nu weer het maffiaverhaal draagt. De wereld van Londersele is er een van Tankred. Zoals Kleist ooit schreef: “Warum bin Ich, wie Tankred, dazu verdammt, alles was Ich liebe mit jeder Handlung zu verletzen ?” De onmacht om met de medemens, en in de eerste plaats met zichzelf in het reine te komen, tekent de gemoedsgesteltenis van het hoofdpersoange. Zelfpijniging is de ruggengraat van de samenleving. Ontbreken van kommunikatie is de ribbenkast.
De trekker van het verhaal komt van buiten het hoofdpersonage. Londersele heeft als één van de weinigen in het Vlaamse speurdersverhaal - Jonathan Sonnst, ‘Razborka’, of enkele romans van Jef Geeraerts niet te na gesproken - de maffieuze praktijken als setting aangehouden. Dat geeft een boeiend internationaal tintje aan zijn verhalen, maar de geloofwaardigheid was sterker in zijn eersteling, toen ook Vereeckens dochter, Tina, ontvoerd werd.
De meeste personages komen ook nu terug, van de Italiaanse inspekteur Salvarini tot Vereeckens neergeschoten kompaan De Wilde, die het hele boek op de rand van leven en dood zweeft. Maar die nevenpersonages verzwakken, waardoor de hele last en draagkracht van ‘Het Laatste Lijk’ op de schouders van de figuur Vereecken liggen. De psychologische eenheid van het personage, waarin Londersele moet investeren, gaat helaas ten koste van de vertelkracht. De eerste tien, twaalf hoofdstukjes zijn afgeraffeld, de volta of uiteindelijke wending die Vereecken opnieuw laat opnemen in het politiekorps is weinig aannemelijk tot onhoudbaar.
Londersele is aan de andere kant wel uitmuntend als hij de obsessies, de verscheurdheid, en de onzekerheid van Vereecken mag ontwikkelen. Dat hij dat jammer genoeg in een vrijwel onafgebroken stijl van innerlijke vraagstelling doet, tast de rondheid van het karakter aan, omdat vertelperspektief en psychlogische ontbolstering qua stijl in elkaar overvloeien, en te weinig kontrastvorming toelaten. Vereecken ligt voortdurend in de knoop met zichzelf, en daar zijn drie goeie redenen voor: hij aanvaardt geen gezag, wat de heetgebakerde relaties met zijn werkomgeving en vreemde mensen verklaart; hij twijfelt voortdurend aan zijn geschiktheid om liefde te geven, wat zowel de problematische opvang van zijn dochter als de wisselende gevoelens voor zijn ex-vrouw, zijn huidig lief Charlotte (die al bijna uit het verhaal geschreven is) en zijn mogelijk nieuwe lief (Petra, de vriendin van zijn opnieuw komateuze kollega De Wilde) preciseert. En de oorzaak van alles is de moeilijke, verkilde, onmogelijke kontaktlegging met de vader – een thema dat Londersele ook al kundig uitwerkte in zijn mainstream-roman, ‘Mijn Geboomde Vader’. Vereecken is een ontwrichte man, die de onmogelijkheid om diepere gevoelens te uiten omzet in een overdreven dadendrang en een herkenbare koppigheid. Zijn strijd is een voortdurende strijd tegen zelfhaat, die hij omzet in geweld en geestelijke tirannie tegenover zwakkeren en tegenstanders.
‘Het Laatste Lijk’ heeft ook zijn omgeving mee. Londersele beheerst erg goed de beschrijving van het Gentse, zonder te vervallen in een Reiseführer. De inbreng van een spookfirma en Vereeckens dubbelrol tussen rivaliserende bendes geven het verhaal body, al valt de figuur van de kleine gangster Naessens, die Vereecken engageert om een inhoudsloze en dus opzichtig verdachte opdracht uit te voeren, te zwak uit om binnen de veelbelovende setting het ritme van het verhaal aangespannen te houden. Veruit het zwakste onderdeel in de roman is het politieke luik. Dat dient meer als voorhang dan als motor, en dat is jammer, want net in maffieuze kringen valt aan dat gedeelte flink te werken. Wie ten slotte met ‘Het Laatste Lijk’ bedoeld wordt is mij ook na de finale schietpartij niet duidelijk geworden. Maar dat het niet de laatste maffiathriller met Vereecken in de hoofdrol wordt, staat vrijwel vast. Misschien kan Londersele best de vlotte leesbaarheid en de eenvoud van verhoudingen voor een stuk opofferen aan een kompleksere uitwerking van de personages. Dan krijgt ook het genre weer wat meer volwassenheid mee. Londersele kan het, hij moet gewoon iets langer nadenken. Maar het zal de verkoop in de supermarkt natuurlijk niet bevorderen.
Londersele, Het Laatste Lijk. Antwerpen, Manteau/Standaard 2006, 207 blz.
Lukas De Vos
17 april 2006 |  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 207 pagina's |
ISBN : 9022319520 |
Uitgeverij : Manteau/Standaard |
|
|
Prijs : € 17.95 |
|
De dochter van de beeldhouwer
Tove Jansson
|
|
|
Finland in de jaren 60 en 70: een tijd om in weg te dromen. Althans volgens de kunstenares en schrijfster van het boek “De dochter van de beeldhouwer”.
De auteur rakelt met deze roman de herinneringen op van een lang vervlogen jeugd. Als kind tussen kunstenaars - haar moeder tekende en haar vader sculpteerde – blikt ze vanuit een gezapig kinderperspectief terug op een rimpelloze tijd, waarbij een overheersend gevoel van zaligheid niet is weg te denken. Jansson offreert ons een boek vol mijmeringen omtrent mensen met een uitgesproken kunstenaarsziel, vrijgevochten en eigenzinnig, die leven in een fijne omgeving aan een verloren gegaan ritme. Het boek levert niet alleen lieftallige beschrijvingen op maar ook enkele prachtige zinnen, waaronder: “Hoe kleiner je bent, hoe groter Kerstmis”. In deze tijd van streven naar onthaasting is dit boek een ideaal geschenk.
Eerder verscheen bij de uitgeverij Atlas reeds “Zomerboek”, een verhaal dat het Scandinavië-gevoel van personages als Pipi Langkous dichter bij huis bracht.
Tove Jansson werd geboren in het Finse Helsinki in 1914. Ze overleed in 2001. Won in 1966 de Hans Christian Andersenprijs voor haar hele oeuvre. Ze was toen al wereldberoemd met haar serie over de Trollenfamilie Moomin. “De dochter van de beeldhouwer” werd vertaald door Cora Polet, die ook het werk van onder anderen Per Olov Enquist vertaalde.
|
|
Uitvoering : Paperback, 157 pagina's |
ISBN : 90 450 1582 X |
|
|
Prijs : € 16.00 |
|
Schildersverdriet
Jacques Kruithof
|
|
|
De roman "Schildersverdriet" speelt zich af in de zestiende eeuw, bloeitijd van de Renaissance maar tegelijkertijd ook de donkere en bloedige periode van de Reformatie. Protagonist in dit werk van Jacques Kruithof is een Brugse meester-schilder wiens opdrachtgevers meestal van katholieke signatuur zijn. Zijn echtgenote echter is een godvruchtige protestantse.
In een tijd dat de economie in Vlaanderen hoogtij viert en de schilderkunst floreert, zorgen godsdiensttwisten voor onherroepelijke repercussies. Het jonge echtpaar wordt op een abrupte manier uit elkaar getrokken en het gevolg is dat ze dertig jaar gescheiden verder leven. Tot op een zeker ogenblik een oud schilderij opduikt.... Of hoe de loop van de geschiedenis een desastreuze impact kan hebben op nietige mensenlevens.
Jacques Kruithof (°1947) geeft als neerlandicus les in het literatuuronderwijs. Hij schreef ook voor Vrij Nederland en het Nieuw Wereldtijdschrift. Is auteur van o.a. de dichtbundel "Slaapvertrek" (1984) en de romans "Het lied van de houtduif" (1989) en "Slotfeest" (2004). " Schildersverdriet" toont - weliswaar op een poëtische manier - aan dat godsdienstfanatisme van alle tijden is en altijd leidt tot onzalige toestanden. |  |
|
|
Uitvoering : paperback, 207 pagina's |
ISBN : 9045014718 |
|
|
Prijs : € 17.00 |
|
De Overvallers die met z’n Drieën waren.
Jos Pierreux
|
|
|
The Art Server vroeg aan onze gastrecensent en tevens thrillerspecialist Lukas De Vos zijn mening over “De overvallers die met z’n drieën waren” van Jos Pierrreux. Hier volgt de neerslag ervan:
Van de nieuwe lichting Vlaamse thrillerauteurs is Jos Pierreux wellicht de meest cynische. Zijn inspekteur Luk Borré is even doortrapt als korrupt – maar daarom niet minder een lakmoesproef voor de schijnwereld die de jet set van Knokke tracht hoog te houden. Meer geld dan verstand, meer branie dan mededogen. In dat bekakte wereldje moet een inspekteur met dure hobbies en een nog duurdere relatie (een vroegere escortgirl, die het lonken niet kan laten, en graag haar levensstandaard hoog en ongedwongen houdt) zich wel sterk houden door de juridische gaten en de zwakheden van de bourgeois tot het uiterste uit te buiten. Je krijgt sympatie voor de inspekteur die zowel de harde als de duistere kanten van zijn opdracht, zijn misdadenonderzoek, tot de franjes aftast. En daarmee zichzelf buiten de wet stelt.
In de eerste roman van de reeks met Borré, ‘De Dode die met zijn Tweeën was’ (2004), had Pierreux al meteen de grens van het welvoeglijke overschreden. Geen schlemiel als hoofdpersoon zoals private eye Jean-Pierre Willems in de pastiches van Bart Holsters (of de zwakke afspiegeling daarvan in Bavo Dhooges Pat Somers); geen krachtpatser als in het werk van Sluzny of Baudewyns; geen klassieke, kwetsbare en dus vermoeide inspekteur als bij Teigeler of Aspe; wel een nuchtere, ontgoochelde, ongemanierde, zij het onderlegde en kundige onderzoeker, die om het smeer zijn donkere kant de bovenhand laat halen. Luc Borré als Darth Vader van de jedi die hij ooit wilde worden.
De beste boswachters worden ook de beste stropers, dat is het adagium van Pierreux. Zijn speurdersverhalen vormen dan ook eerder de zwanezang van een genre door het uit te hollen, en de moraal om te keren. Schurk en dader zijn niet de gangsters en de oplichters, zelfs niet de gevallen inspekteur. Het echte onderwerp van Pierreux is de aangevreten samenleving, zijn de schijnheilige gedragskodes die het betere blaséstadje Knokke tracht hoog te houden. Pierreux schrijft vinnige, bijtende maatschappijkritiek, en hij gebruikt – misbruikt zelfs – een populair genre om zijn nijd om die verloedering uit te diepen. Burgemeester graaf Lippens is niet meer dan het rozet van een algemene omkadering die ruikt naar verrotting, hebzucht, bedrog en liefdeloze ambities. Eerlijkheid bedriegt, schijn is alles.
Als in ‘De Dode die met zijn Tweeën was’ Borré een inhalige weduwe een enorme som geld afhandig maakt, dan brengt hem die schanddaad geen geluk. In ‘De Overvallers die z’n Drieën waren’ wordt de bedrieger bedrogen. Sterker nog: de inspekteur is slachtoffer, dader en onderzoeker van zijn eigen zaak tegelijk. Dat moet komplikaties geven, die wel een menselijke kant onthullen van de normale man die Borré eigenlijk is (met name in de adoptiezaak), maar ook aangeven dat het pad van de misdaad steeds breder wordt en de mens steeds sneller doet afglijden. Borré neemt in deze tweede roman een ‘point of no return’. De plot verraden mag niet, omdat Borrés lotgevallen allicht tot een tragische klimaks zullen ontwikkelen in het vervolg dat Pierreux nu al aankondigt: ‘Het Trio dat Iets te Vieren had’.
Maar uit die titel valt al af te leiden op welke smalle richel Pierreux zich begeven heeft: de geloofwaardigheid ophouden van een wetsdienaar die de wet naar eigen voordeel ombuigt, kan maar als de aktie voldoende stevig blijft om de satire en de zelfspot in toom te houden. Dat lukt Pierreux stilistisch nog net in deze roman, al zijn sommige scènes (en vooral de uitweidingen over de plaatselijke politiek) op het randje. Het gegeven is ingenieus genoeg, met een ingebeelde derde gangster die het ritme aan de gang houdt. De zwarte bladzijden over het bittere lot van minder gegoede inwoners van Knokke, over de onmacht van de kankerlijder, over de vrouwen die speelbal zijn van ongeremde egoisten, zijn van de sterkste in de hele Vlaamse detectiveliteratuur. Maar Pierreux krijgt de neiging uit te deinen. Zolang de dialogen geloofwaardig en kortaf blijven, is daar niets op tegen. Maar als de zelf geventileerde beschouwingen delen van zijn personages beginnen in te nemen, loert het gevaar dat Stan Lauryssens niet kan bezweren: zelfvermaak. En dus langdradigheid. Bij Lauryssens is het de eindeloze stroom flauwe politiemoppen, al schrijft niemand zulke brutale bladzijden over karaktermoord en bloot geweld als hij. Bij Pierreux is het uitkijken naar zelfbeheersing. Als hij daarin slaagt in het sluitstuk (neem ik aan) van zijn trilogie, dan is een groot schrijver opgestaan. Voorlopig is hij er wel in geslaagd om de vaart en de kracht van het kwaad aan te houden na zijn debuutroman. Dat is op zichzelf geen kleine verdienste.
Lukas De Vos |  |
|
|
Uitvoering : Paperback, 404 pagina’s. |
ISBN : 9052408203 |
|
|
|
|


|
 |
|
|